Zoeken in Het Zoeklicht

Ezechiël (B) - De Gemeente van Israël

Jaargang: 82 - 2006/07, Nummer: 24
Schatgraven in de Bijbel
De Profeet Ezechiël (deel B)
De Gemeente van Israël


Naar aanleiding van de artikelen over Ezechiël bleek, dat veel lezers moeite hebben met de identiteit van Israël en de Gemeente in het heil. In dit artikel gaan we daar dieper op in.

De profetie wordt verruimd
Paulus spreekt in Romeinen 6 over de verkiezing van Israël in het heil. In vers 25 en 26 haalt hij, verrassend, Hosea 1:10 en 2:22 aan. Daarmee breidt hij de strekking van de profetie uit. Het leidt geen twijfel, dat Hosea in eerste instantie spreekt over de verdwenen tien stammen van het volk Israël. Echter, de transformatie Lo-Ammi (niet mijn volk) naar Ammi (mijn volk) blijkt ook bekeerde heidenen te gelden. Op basis van deze tekst zijn velen tot de conclusie gekomen, dat de Gemeente van Christus in de plaats is gekomen van het volk Israël. Echter, dat zegt Paulus niet. Hij breidt de paraplu van het heil uit! Niet alleen Israël, ook de Gemeente van Christus wordt drager van het heil, echter op een geheel eigen manier. In Romeinen 11 legt Paulus dat uit.

Drie lijnen tot het heil
Indien we Romeinen 9-11 willen begrijpen, dienen we mee te nemen dat Paulus over drie ‘lijnen’ naar het heil spreekt. Eén vinden we bijvoorbeeld in het boek Hosea, dat betreft het lot van de tien verdwenen stammen van Israël. De tweede betreft Juda (het tweestammenrijk), de enige drager van het heil na de ondergang van Israël. De derde is die van de Gemeente van Christus, die een zelfstandige afsplitsing is van de tweede. Romeinen 11:25, ‘Want, broeders, opdat gij niet eigenwijs zoudt zijn, wil ik u niet onkundig laten van dit geheimenis; een gedeeltelijke verharding is over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen binnengaat (aanbreekt) en aldus zal gans Israël behouden worden.’
In dit ene vers staat heel veel. We lopen het summier door. De apostel Paulus legt de gemeente van Rome (bekeerde heidenen) uit, hoe het nu zit met de status van Israël als volk van God. Allereerst stelt hij dan, dat sprake is van een geheimenis. Dat betekent, dat dit feit voorheen niet bekend was! Dan zegt hij dat een gedeeltelijke verharding over Israël gekomen is. Daarmee wil Paulus zeggen, dat God de Israëlieten als straf voor het afwijzen van Jezus Christus, een ‘bedekking’ opgelegd heeft en wel voor een specifiek deel van Gods woord; de herkenning van Jezus Christus als hun Zaligmaker en Messias. Hij legt dat precies uit; 2 Korintiërs 3:15,16, ‘Ja, tot heden toe ligt, telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, een bedekking over hun hart, maar telkens wanneer iemand zich tot de Here bekeerd heeft, wordt de bedekking weggenomen. De Here nu is de Geest; en waar de Geest des Heren is, is vrijheid.’
Paulus verklaart dus, dat de Jood alleen dan van die ‘bedekking’ verlost wordt, indien hij Jezus Christus als zijn Zaligmaker aanneemt en daarmee vrijheid verwerft, dus losraakt van die bedekking. Hij gaat verder; Romeinen 11:7,8, ‘Hetgeen Israël najaagt, heeft het niet verkregen, maar het uitverkoren deel heeft het verkregen en de overigen zijn verhard, gelijk geschreven staat: God gaf hun een geest van diepe slaap, ogen om niet te zien en oren om niet te horen, tot de dag van heden.’
Uit voorgaand tekstdeel blijkt, dat slechts een klein deel van Gods volk tot Christus komt. Hoofdzakelijk uit de eerstelingen (dat is de eerste ‘oogst’), zoals beschreven in Handelingen. In het begin was de gemeente namelijk Joods-christelijk. Later ontstond helaas diepe vijandschap tussen kerk en Jood en vervreemdde men van elkaar. Dit blijkt dus geen toeval, want het Joodse volk blijkt door God gestraft met een geest van diepe slaap. We gaan verder met Romeinen 11:15, ‘Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal dan hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden?’
De verwerping is de afwijzing van Jezus Christus, waardoor God zijn volk tijdelijk uit hun bevoorrechte status zet. Die verwerping blijkt vervolgens tot heil der volken te zijn, zoals blijkt uit Romeinen 11:11 Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen. De val van Israël leidde er dus toe, dat het heil tot de heidenen is gekomen.
Maar, vers 15 spreekt ook van hun aanneming. Dat is het moment waarop na hun bekering het Lo-Ammi (niet mijn volk) weer wordt herroepen, wat overigens uitvoerig in het boek Zacharia beschreven wordt. Het leven uit de doden symboliseert het ontwaken uit de geest van diepe slaap. Romeinen 11:23, ‘Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden.’
Weer een duidelijke verwijzing naar een toekomstig herstel van de status van Israël als Gods volk.

Romeinen 11:24, ‘Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoe veel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden!’
Wat een schitterende manier van uitdrukken. Als dus wij, Christus’ gemeente, die als een vreemde tak op de edele olijf zijn geënt, al een zo’n rijke bloei geven – zo zegt Paulus – hoeveel te meer zal Gods volk tot uitbundige bloei komen, als zij weer op hun oude plaats worden teruggezet!
De verharding of de geest van diepe slaap blijkt pas opgeheven te worden, als de volheid der heidenen aanbreekt (Romeinen 11:25). Dat wil zeggen: Op het moment, dat het getal der heidenen vol is. Aangezien Paulus tot de gemeente van Rome spreekt, is het duidelijk, dat hij daarmee bekeerde heidenen bedoelt. Het getal van hen is vol, als Gods doelstellingen gehaald zijn! Dat is tevens het tijdstip van de opname der gemeente van Christus (1Tess. 4), waarna de grote verdrukking uitbreekt.
Er is dus geen sprake van, dat Israël als volk van God compleet is afgedaan. Het is de weg tot Jezus Christus, die zeer moeizaam begaanbaar is geworden. Het is daarom ook geen toeval, dat door de eeuwen heen Joden zo moeilijk en in zo kleine getale naar het christendom over gingen.

Dat Israël nog steeds Gods volk is, bevestigt Paulus in Romeinen 11:17-18, ‘Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen die takken! Niet gij draagt de wortel, maar de wortel draagt u!’
De weggebroken takken zijn Israël in de groeifase, dus het heden en de toekomst. De sapstroom, dus de voeding van die takken, wordt stopgezet en daarmee de ontwikkeling van Israël in Gods heilsplan. De wilde loot, dat zijn wij, bekeerde heidenen. De stam en wortel stellen het heil voor, dat aan Israël is toegezegd en tevens dat deel van de raad Gods, dat al is volbracht. Wij (bekeerde heidenen) mogen daar tijdelijk aan deelnemen. Eens, echter zullen weer nieuwe takken uitspruiten, als God de draad met Israël weer oppakt.

Is dan de deur des Heils voor Israël (zonder Christus) gesloten?
Dat is maar de vraag. Jezus zelf zegt in Johannes 14:6 Niemand komt tot de Vader dan door Mij. En hoewel dit meestal uitgelegd wordt als het ultieme bewijs, dat Jezus Christus de enige weg tot zaligheid is, wordt dit niet gezegd.
Jezus Christus ontzegt de ‘vaderrelatie’ aan hen, die niet in Hem geloven. Dat laat ruimte voor de veronderstelling dat voor schriftgelovige Joden de oudtestamentische bedeling van kracht blijft. Daarin wordt hen de zegen van het lichaam van Christus onthouden en dus de genadegaven die daaraan verbonden zijn. Er is dus een status-quo ontstaan. De genadegaven, die door de stam van de olijfboom aangevoerd worden, komen Israël tijdelijk niet meer ten goede. Daar profiteert de Gemeente nu van.
(v/d Weerd, De Profeet Ezechiël, Deel 2, pagina 565-569)

Genadegaven
Die genadegaven zijn overigens in principe in alle Joden aanwezig, hoewel in een andere context. Het kan immers geen toeval zijn, dat de Joden zoveel toevoegen aan wetenschap en cultuur? In Duitsland bijvoorbeeld bestond rond 1930 minder dan 2 procent van de bevolking uit Joden. Toch was hun invloed op cultuur en wetenschap immens. Ruim 30% van de advocaten was Joods, evenals meer dan 20% van de geleerden. En zo kunnen we nog geruime tijd doorgaan.
Dit verschil in gaven, die de Jood bij de geboorte wordt meegegeven en die hun status als Gods volk bij uitstek demonstreren, veroorzaakt een onacceptabele discrepantie tussen hen en de Gemeente van Christus, die tijdelijk het heil heeft overgenomen. Het is de Heilige Geest die dit compenseert en genadegaven toedeelt aan de gelovige, waardoor deze (althans op dit punt en indien sprake is van een levende Gemeente) de Jood gelijkwaardig wordt. Ook hier zie je een logische voortzetting van de Raad Gods. De omvang en detaillering van de Raad Gods is van een verbijsterende grootheid. Dat brengt Paulus tot de uitroep: O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen (Romeinen 11:33)!

De teksten komen uit de NBG-vertaling.

Gert van de Weerd