Zoeken in Het Zoeklicht

Zachtmoedigheid, het waarneembare getuigenis

De meest fundamentele les die we van Christus mogen leren, vinden we in Matteüs 11:29 ‘Leer van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart.’ We kunnen ons afvragen wat het verschil is tussen ‘zachtmoedig’ en ‘nederig’.

‘Zachtmoedigheid’ staat vooral tegenover ‘trots’, zoals Christus staat tegenover de duivel. ‘Nederig’ (tapeinos) heeft meestal een lijdend karakter. Het wordt vertaald als ‘onaanzienlijk’, ‘gering’, ‘eenvoudig’, ‘terneergeslagen’. Behalve in Matteüs 11:29 is er ook een ander vers waarin we beide begrippen samen vinden, namelijk 2 Korintiërs 10:1. Paulus beschrijft zichzelf hier als ‘bedeesd’ of ‘schuchter’ (= nederig) en doet een beroep op de zachtmoedigheid van Christus. Samengevat kunnen we zeggen dat ‘zachtmoedigheid’ het karakter van Jezus Christus is en dat nederigheid daaruit voortvloeit in de situatie waarin we ons bevinden.
Het christelijk leven begint met bekering. Dat is niets anders dan overgaan van trots (= zelfbestemming) tot zachtmoedigheid. Het opent de weg tot het ontvangen van Gods genade. Van de Messias lezen we in Jesaja 61:1 ‘Hij (God) heeft Mij gezonden om de blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen’ (Engels ‘meek’ = ‘zachtmoedig’). Bij het aannemen van die boodschap volgt de geboorte uit de Geest. Net als bij ‘geloof’ wordt ook ‘zachtmoedigheid’ van een ingang in het leven tot de karaktervorming van Christus in ons; dat is de vrucht des Geestes.

Satans trots en Jezus’ vernedering
In Matteüs 21:5 zien we Jezus als de zachtmoedige (praus) Koning en in Matteüs 5:5 lezen we: ‘zalig de zachtmoedigen (praus) want zij zullen de aarde beërven.’ Merk op dat er niet staat ‘zij zullen de hemel beërven.’ De Koning is zachtmoedig, omdat Hij het tegenbeeld is van Satans trots. Zij, in wie dat beeld van Christus tot volle ontplooiing komt, zijn degenen die deel zullen hebben aan de eerste opstanding en met Hem zullen heersen in Zijn vrederijk (Openbaring 20:6).
In Kolossenzen 3:12 behoort zachtmoedigheid tot de bekleding, dat wil zeggen het waarneembare getuigenis, van de gelovigen. Dat kan niet verborgen zijn, omdat het in duidelijk contrast staat met de gangbare levensstijl in deze wereld.
Bij verschillende gelegenheden heeft de Here Jezus gezegd: “Wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden.” Het is een regel die aangeeft aan welke zijde wij staan. Zelfverheffing is het karakteristieke van de Satan. In Jesaja 14:13-14 zien we hem als de geestelijke macht die de koning van Babel beheerst. Hij overlegde: ‘Ik zal ten hemel opstijgen… mij aan de Allerhoogste gelijkstellen.’ De reactie is: ‘Integendeel, in het dodenrijk wordt gij neergeworpen’ (vers 15).
Daar tegenover staat de Here Jezus. Van Hem wordt gezegd dat Hij in de gestalte van God zijnde, zich dienstknecht heeft gemaakt en zich als een mens vernederd heeft tot de dood aan het kruis. ‘Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken’ (Filippenzen 2:6-9). Paulus leidt dit in met te zeggen: ‘Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was’ (vers 5). Die gezindheid is een definitieve breuk met het zelfgecentreerde leven om voortaan van Gods genade te leven, zoals Petrus het weergeeft: ‘God wederstaat de hoogmoedigen, maar de nederigen geeft Hij genade’ (1 Petrus 5:5).

Hij diende als slaaf
Nederigheid staat dus tegenover hoogmoed, dat ligt aan de wortel van de zonde. Hoogmoed is de satanische inspiratie van meer te willen zijn dan waartoe God ons in Zijn scheppingsplan heeft bestemd. In feite was het ‘te willen zijn als God’ (Genesis 3:5), dat is een verwerping van goddelijk gezag. Het koninkrijk der hemelen, dat Jezus predikte, staat daar lijnrecht tegenover. Ik denk dat Jezus de grondwet van het koninkrijk neerlegde in Zijn woorden in Marcus 10:44-45 ‘Wie groot wil worden onder u, zal uw dienaar zijn; en wie onder u de eerste wil zijn, zal aller slaaf zijn. Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en Zijn leven te geven als losprijs voor velen.’ Het moet voor Jezus wel een voortdurende strijd zijn geweest om Zijn discipelen dit principe bij te brengen. Telkens weer moest Hij ze eraan herinneren, tot aan het laatste avondmaal toe (Lucas 22:24-26). We weten hoe de Here hen daar als Zijn laatste les de voeten waste. Johannes beschrijft die daad als een machtige bevestiging van die gouden regel (Johannes 13:3-4 e.v.) met de woorden ‘wetende dat de Vader Hem alles in handen had gegeven… legde Hij Zijn klederen af’ om hen als slaaf te dienen.

Johannes de Doper
De boodschap van Johannes de Doper was dezelfde als die van de Here Jezus: ‘Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen’ (Matteüs 3:2; 4:17). In tegenstelling tot de apostelen legde hij, als Jezus’ wegbereider, getuigenis af van zijn kennis van de grondwet van het Koninkrijk. Van Jezus zei hij: ‘Ik ben niet waardig Hem Zijn schoenen na te dragen’ (Matteüs 3:11) en toen zijn discipelen Jezus zagen als een concurrent, zei hij: ‘Hij moet wassen, ik moet minder worden’ (Johannes 3:30).
Jezus zelf gaf van hem dat merkwaardige getuigenis ‘Voorwaar, Ik zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is er niemand opgestaan, groter dan Johannes de Doper, maar de kleinste in het koninkrijk der hemelen is groter dan hij’ (Matteüs 11:11). Vroeger werd mij dit vers uitgelegd als had Johannes als Oudtestamentische gelovige niet de hoge status van een Nieuwtestamentische gelovige. Dat heeft me nooit bevredigd, omdat we in Matteüs 8:11 lezen: ‘Ik zeg u, dat er velen zullen komen van oost en west en zullen aanliggen met Abraham en Isaäk en Jakob in het Koninkrijk der hemelen.’ Abraham, Isaäk en Jakob zijn immers Oudtestamentische gelovigen. Die uitleg is dus onhoudbaar en berust op de vervangingstheologie. Het Koninkrijk is immers in de eerste plaats voor de Joden.
Er is er maar één groter dan Johannes de Doper, namelijk Jezus zelf omdat Hij de kleinste werd. Niemand heeft zich meer vernederd dan Hij, zoals we gezien hebben in Filippenzen 2:6-8. En daarom is niemand groter dan Hij (vers 9), de komende Koning van het vrederijk. Een persoonlijke les die we kunnen trekken uit het omstreden vers is: Als je groter wilt worden dan Johannes de Doper, dan moet je kleiner worden dan hij.

Paulus noemde deze wetmatigheid in het Koninkrijk der hemelen ‘de wet van Christus’ als hij spreekt over verdraagzaamheid (Galaten 6:2). Wat zou ons kerkelijk leven er anders uitzien als we allen geleerd hadden de kleinste te willen zijn!
Is niet Gods grote liefde uitgedrukt in de komst van onze Here Jezus Christus die ‘om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden’ (2 Korintiërs 8:9). Dat wil Hij in ons weerspiegeld zien, zoals Hij het uitdrukte in Johannes 13:35 ‘Hieraan zullen allen weten dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander.’ Dat noemt Jakobus ‘de koninklijke wet’ als hij spreekt over de verhouding van hoog en laag in de gemeente (Jakobus 2:8). Hij noemt het ook de wet der vrijheid (Jakobus 1:25; 2:12). Dat is immers waarachtige vrijheid als de Here ons bevrijdt van onze oude natuur die altijd de boventoon wil voeren en nooit de minste wil zijn!

Ad Kooijmans