Zoeken in Het Zoeklicht

Openbaring 4

De gerichtstroon in de hemel

In Openbaring 4:1 zien wij in Johannes een type van de Gemeente. Hij zag toen een geopende deur in de hemel en hoorde een stem als van bazuingeschal met de oproep: “Klim hierheen op.” Die stem herkende hij direct, want het was Dezelfde stem als in Openbaring 1, namelijk die van Zijn geliefde Heiland.

De Gemeente is een verborgenheid (Efeziërs 3:1-11), daarom zal zij ook als een verborgenheid van de aarde weggenomen worden. Omdat Openbaring zoveel Joods is, kan dit m.i. een reden zijn dat in de Apocalyps ‘de Opname’ niet letterlijk wordt genoemd. Immers, daarin het gaat veelal over de profetieën uit het Oude Testament, zoals het oordeel en herstel voor Israël en de volken. Deze dingen zijn niet van toepassing op de Gemeente (Romeinen 8:1; 1 Tessalonicenzen 5:9).
Zo zag Johannes in Openbaring 1 Christus in Zijn Koninklijke waardigheid en als Hogepriester te midden van de Gemeente op aarde (de zeven gouden kandelaren). Vanaf hoofdstuk 4 en 5 kreeg hij een blik in de hemel en ziet daarbij wat er tijdens de 70e Jaarweek van Daniël (de eindtijd) op aarde zal moeten gebeuren. Dus wat er gebeuren moet nadat de Gemeenteperiode voorbij is (Openbaring 2 en 3). We moeten daarom het hemelstafereel van Openbaring 4 en 5 niet toepassen op de huidige Genade-bedeling, of op het toekomstige Vrederijk, want zij lopen parallel met de periode van Gods toorn tijdens de Verdrukking op aarde (Openbaring 6-19).

Het hemelse sanhedrin
Toen de apostel het hart van de hemel binnen kwam, zag hij Iemand (een Gezetene) op de troon. Uit eerbied zegt Johannes ‘Iemand’, i.p.v. God. Niet Gods gedaante, alleen Gods heerlijkheid zag hij en omschrijft deze als de schittering van diamant- en sardiussteen. Ook het nieuwe Jeruzalem, de bruid van het Lam, straalt van Gods heerlijkheid, als van kostbare stenen (Openbaring 21:11).
Rondom de troon was een regenboog met de kleurglans als van smaragd. Hierin zien wij het verbond dat God met Noach heeft gesloten (Genesis 9:8-17) en Zijn trouw aan de aardbewoners. Rondom de troon zag Johannes vierentwintig priesterkoningen van de allerhoogste rang. Zij vertegenwoordigen de verloste Gemeente in de hemel.
De bliksemstralen, stemmen en donderslagen, die uit Gods troon kwamen, kondigen de oordeelgebeurtenissen aan (Openbaring 8:5; 11:19; 16:18). Dit doet ook denken aan de indrukwekkende verschijning van de HERE op de berg Sinaï (Exodus 19:16-18).
De zeven vurige fakkels voor de troon, zijn zowel ‘de zeven Geesten Gods’ als ‘de zeven ogen van het Lam’ (Openbaring 5:6): ‘Die de ganse aarde doorlopen’ (Zacharia 4:10). De zevenvoudige bediening van de Geest was ten volle werkzaam in Jezus’ leven op aarde (Jes. 11:2). De Here Jezus heeft gezegd: ‘Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht der wereld’ (Johannes 9:5). Mogelijk mogen wij in de zeven vurige fakkels ook een beeld zien van de Geest van God in ontbranding, gericht op het oordeel tijdens ‘de Dag des Heren’ (vgl. Jesaja 4:4; Richteren 7:16,20).
Vóór de troon was een glazen zee die eruit zag als kristal. Hierop troont de Here God. De profeet Ezechiël heeft eenzelfde visioen gehad (Ezechiël 1:22,26). In de glazen zee zien wij iets van Gods grootheid, schoonheid en heiligheid. Verder werden aan Johannes, midden en rondom de troon vier bijzondere wezens getoond. Voortdurend zeggen zij: ‘Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, Die was en Die is en Die komt’ (Openbaring 4:8). Zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament zegt God: ‘Weest heilig, want ik ben heilig’ (Leviticus 11:44; 1 Petrus 1:16). En ten slotte werd hem een ontelbare schare van engelen rondom de troon getoond (Openbaring 5:11 vgl. Daniël 7:10), die God op de troon en het Lam in grote blijdschap prijzen, eren en aanbidden!

De vierentwintig oudsten
Ieder kind van God is een priester en vormt met alle andere gelovigen een priesterschaar (1 Petrus 2:9; Openbaring 1:5-6). Zo had Israël in het Oude Testament vierentwintig priesters, die het priestervolk vertegenwoordigden (1 Kronieken 24:7-18). Duidelijk is dat het bij de oudsten in de Apocalyps niet om engelen gaat, want engelen hebben geen kronen, zitten niet op tronen en worden nergens in de Bijbel oudsten genoemd.
Voor de gelovigen zijn er in de eeuwigheid de volgende beloningen:
• de onverderfelijke kroon (1 Korintiërs 9:25)
• de erekroon (1 Tessalonicenzen 2:19-20)
• de kroon van de rechtvaardigheid (2 Timoteüs 4:8)
• de kroon van het leven (Openbaring 2:10)
• de kroon van de heerlijkheid (1 Petrus 5:4)

Vanuit de hemel zal de Gemeente in ‘de Dag des Heren’ betrokken zijn bij de oordelen over de aarde (Openbaring 4 en 5). En is het haar geven om plaats te nemen op tronen:
‘En rondom de troon waren vierentwintig tronen, en op die tronen waren vierentwintig oudsten gezeten, in witte klederen gekleed en met gouden kronen op hun hoofden’ (Openbaring 4:4).
‘Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?’ (1 Korintiërs 6:2).
‘indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen’ (2 Timoteüs 2:12).
‘Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon’ (Openbaring 3:21).
‘En ik zag tronen, en zij zetten zich daarop, en het oordeel werd hun gegeven’ (Openbaring 20:4).

De witte klederen wijzen op heiligheid, rechtvaardiging en overwinning (Jesaja 1:18; Openbaring 3:5). De vraag is of we net als bij de priestervertegenwoordigers in het OT het getal vierentwintig letterlijk moeten nemen. Maar waarom ook niet? Wie zij eventueel uit de Kerkgeschiedenis zijn, is dan nu nog voor ons een verborgenheid.

De vier levende wezens
Er zijn allerlei visies en speculaties over de vier wezens. De volgende gedachten zijn m.i. niet speculatief en daarom de overweging waard. Waarschijnlijk zijn het vier zeer hooggeplaatste engelen, die zich in de onmiddellijke nabijheid van de troon en Die daarop gezeten is bevinden. Het zijn cherubs of serafs (Ezechiël 1; Jesaja 6:1-4), die de troon van God bewaken (Psalm 57:2 vgl. Matteüs 23:37; Genesis 3:24). De levende wezens (een betere vertaling dan dieren, zie NBG’51) zijn vol ogen van binnen en van buiten, van voren en van achteren; dit zou kunnen wijzen op Gods alziendheid en alwetendheid. Mogelijkheid geven zij symbolisch vier eigenschappen van Christus weer, namelijk: kracht en majesteit (leeuw), geduld en volharding (rund), intelligentie (mens) en opperheerschappij (vliegende arend). Sommige uitleggers betrekken dit opeenvolgend ook op de vier Evangeliën, waar Christus op dezelfde wijze wordt omschreven: als Koning (Matteüs), trouwe dienstknecht (Marcus), Zoon des mensen (Lucas) en Zoon van God (Johannes).
De vier levende wezens hebben tijdens ‘de Dag des Heren’ een uitvoerende functie bij de oordelen (Openbaring 6:1-8; 15:7). Zo heeft het getal ‘vier’ betrekking op de aarde, zoals: de vier seizoenen, de vier winden en de vier elementen.

Jeep van der Schoot