Zoeken in Het Zoeklicht

Openbaring 7 - De 144.000 en de ontelbare schare

In Openbaring 7 lezen wij over het tweede en het derde visioen van het zesde zegelgericht. De eerste daarvan heb ik in het vorige Zoeklicht behandeld en dat gaat over een hevige aardschudding en de verduistering van de zon en de maan (Openbaring 6:12-17). Hier gaat het over de 144.000 verzegelden op aarde en een ontelbare schare in de hemel. De vraag is: wie zijn deze verlosten uit de eindtijd? En moeten wij deze twee groepen van elkaar onderscheiden?

Velen zien in de 144.000 de strijdende Kerk op aarde en in de ontelbare schare de grote triomferende Kerk in de hemel. De traditionele gedachte van de Kerk is dat het getal 144.000 een symbolisch getal is, dat haar volheid aanduidt (12 x 12.000). Maar waarom zouden we dit getal niet gewoon letterlijk mogen nemen? Dat er symboliek in de getallen zit neemt de letterlijkheid niet weg. Waarom het in Openbaring 7 niet over de Gemeente kan gaan, blijkt wel uit het feit dat zij dan al is opgenomen (Openbaring 3:10; 5:9-10).

De vervangingstheologie
In de vervangingstheologie is geen zicht op Gods toekomstig heilsplan met Israël. De profetieën in het Oude Testament over het Vrederijk worden op de Kerk op aarde toegepast, in plaats van op het gelovige overblijfsel uit Israël in het toekomstige Vrederijk. Als je geen zicht hebt op het Duizendjarig Rijk en op Gods reddingsplan met Israël, dan moet je ook wel de 144.000 uit de twaalf stammen vergeestelijken. Maar Johannes hoorde toch wel degelijk dat het er 144.000 uit alle stammen der kinderen Israëls zijn (vers 5-8). Het gaat hier daarom echt over Israël!

De 144.000 en de ontelbare schare
Een ‘dispensationalist’ is iemand die het Woord letterlijk uitlegt en de bedelingen onderscheidt. De term ‘bedeling’ is overigens gewoon een Bijbels begrip (vgl. Efeziërs 1:10, HSV). Iemand als Johannes de Heer, de oprichter van Het Zoeklicht, was ook een ‘dispensationalist’, omdat hij onderscheid maakte tussen Israël en de Gemeente. In Openbaring moeten wij het Woord ook recht snijden (verdelen), door de 144.000 uit Israël en de ontelbare schare uit de volken van elkaar te onderscheiden, omdat de Schrift dit duidelijk leert!

Wat zijn de verschillen?
Belangrijk is dat we opmerken dat zowel bij de 144.000, als bij de ontelbare schare, de ziener begint met de woorden: ‘Daarna zag ik’ (vers 1 en 9). Hij zag dus twee verschillende visioenen in hoofdstuk 7. In het eerste de verlosten op aarde en in het tweede de geredden in de hemel. Zo zien wij dat de 144.000 uit alle stammen van Israël komen en eerstelingen worden genoemd (Openbaring 14:4). Zij zijn namelijk een voorschot op ‘gans Israël’ dat behouden zal worden (Romeinen 11:26). Maar de ontelbare schare komt uit alle volken, stammen en natiën (vers 9) en is na de opname van de Gemeente tot bekering gekomen: ‘Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking…’ (vers 14).

De stammen Dan en Efraïm ontbreken
In Openbaring 7:1-8 ontbreken de stammen Dan en Efraïm, daarvoor zijn Jozef en Levi in de plaats gekomen. Het is niet vreemd dat er niemand uit Dan en Efraïm verzegeld wordt. Zo staat Efraïm bekend om zijn afgoderij en afvalligheid (Hosea 7:8,11). En Dan wordt met een slang vergeleken. Kerkvader Irenaeus veronderstelt daarom dat uit de stam Dan de antichrist komt (Genesis 49:16-17; Jeremia 8:16-17). We zien echter dat Dan en Efraïm er in het Vrederijk wel weer bij zijn (Ezechiël 48). Dan in plaats van Levi, omdat aan Levi geen Landbeloften zijn gedaan. En Efraïm in plaats van zijn vader Jozef, omdat uit Jozef Manasse en Efraïm zijn. Zo zien we dat het in Openbaring 7 om een letterlijke verzegeling gaat, van degenen uit de stammen die tijdens de Verdrukking Zijn knechten zullen zijn, maar in Ezechiël 48 gaat het om de verdeling van het Land, naar de twaalf stammen tijdens het Vrederijk.

Gevrijwaard van Gods toorn
Een selectie van 144.000 uit Israël zal in de Verdrukking verzegeld worden. Die verzegeling houdt in dat zij Gods eigendom zijn. Hierdoor zijn zij onaantastbaar voor Gods toorn en de boze (vgl. Ezechiël 9:4). De ziener zag dat het zevende zegelgericht pas verbroken mocht worden nadat de 144.000 op hun voorhoofden verzegeld waren, dat is het eigendomsmerk van het Lam en de Vader (Openbaring 14:1). Niet eerder zal er schade gebracht mogen worden aan: de aarde, de zee en de bomen, voordat zij verzegeld zijn (vers 3; Openbaring 8:7-8).
In deze huidige bedeling van genade zijn ook wedergeboren christenen verzegeld, maar dat is een innerlijke verzegeling met de Heilige Geest (Efeziërs 1:13). Zij zijn gekocht en betaald met Jezus’ bloed (1 Petrus 1:18-19) en daardoor vrij van het oordeel (Romeinen 5:9). Het tegenovergestelde zien we gebeuren bij de degenen die tijdens de Grote Verdrukking satans eigendom zijn. Zij worden gemerkt met: het teken, de naam van het beest, of zijn getal (Openbaring 13:16-18).

Het Evangelie van het Koninkrijk
Het zou mogelijk kunnen zijn dat de 144.000 in de toekomst door het getuigenis van ‘de twee getuigen’ tot bekering komen. Dit zullen waarschijnlijk Mozes en Elia zijn (vgl. Matteüs 17:3). Zij hebben de eerste helft van de Verdrukking als taak te profeteren in Jeruzalem (Openbaring 11:3). De 144.000 hebben tijdens de Grote Verdrukking, na het zesde zegel, nog een evangeliserende taak op aarde. Zij zullen de mensen oproepen zich te bekeren, omdat Zijn komst en Koninkrijk dan aanstaande zijn: ‘En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken…’ (Matteüs 24:14). Door de gerichten van het Lam en het getuigenis van de twee getuigen en de 144.000 zal er in de eindtijd nog een ontelbare schare uit alle naties tot geloof komen in de Here Jezus.

De ontelbare schare in de hemel
Dat de ontelbare schare niet meer op aarde, maar in de hemelse tempel is, blijkt mijns inziens wel uit vers 11, waar we lezen over de engelen rondom de troon, de oudsten en de vier wezens. Voor de troon in de hemel vereren zij Hem ‘dag en nacht’ (vers 15).
Er is in de hemel toch geen nacht? Dat is juist: ‘Er zal geen nacht meer zijn’ (Openbaring 22:5). Maar de uitdrukking ‘dag en nacht’ wordt in Openbaring vijf keer gebruikt, niet om onderscheid te maken tussen de dag en de nacht, maar in de betekenis van ‘altijddurend’. Zie maar in Openbaring 20:10 wat de hel betreft. En in Openbaring 4:8 wat de hemel betreft, daarin staat: ‘En de vier dieren (vier wezens) hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen en zij hadden dag noch nacht rust, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, Die was en Die is en Die komt.’ Je zou kunnen zeggen: In de hemel is helemaal geen nacht en in de hel is het altijd nacht.

Jeep van der Schoot