Zoeken in Het Zoeklicht

De wereldbevolking tijdens de zondvloed

Jaargang: 82 - 2006/07, Nummer: 8/9
De grote watervloed, de zondvloed als oordeel van God over heel de mensheid ging over de gehele aarde. De aarde was bevolkt met een grote massa mensen. Er zijn verschillende berekeningen die tonen dat er heel veel mensen op aarde woonden. Hieronder een deel uit het boek De zondvloed van de Amerikaanse prof. A.M. Rehwinkel*).

De vijftien generaties van Adam tot Noach opgesomd in Genesis 5 en ervan uitgaande dat het gemiddelde gezin tien kinderen had dan geeft het volgende beeld van de wereldbevolking vlak voor de zondvloed. Prof. Rehwinkel:
Eerste generatie 2
Tweede generatie 10
Derde generatie 50
Vierde generatie 250
Vijfde generatie 1.250
zesde generatie 6.250
Zevende generatie 31.250
Achtste generatie 151.250
Negende generatie 756.250
Tiende generatie 3.781.250
Elfde generatie 18.906.250
Twaalfde generatie 94.531.250
Dertiende generatie 472.656.250
Veertiende generatie 2.368.281.250
Vijftiende generatie 11.841.406.250

Dit alles is natuurlijk pure speculatie, want niemand kan met enige mate van zekerheid weten hoe groot toen de wereldbevolking geweest is. Maar ik geloof, dat de bovengenoemde cijfers niet fantastisch, doch integendeel zeer voorzichtig zijn. Het is redelijk aan te nemen, dat de bevolking minstens gelijk was aan de bevolking van de wereld vandaag. Er was voldoende tijd voor zulk een bevolkingsaanwas en de natuurlijke omstandigheden die deze groei bevorderen, waren bijzonder gunstig.
Dr. E. A. Ross van de universiteit van Michigan, een autoriteit in bevolkingsvraagstukken, schat dat de wereldbevolking in de volgende eeuw zal verdrievoudigd zijn, indien de aanwas in het huidige tempo voortgaat.

Om reeds genoemde redenen is het redelijk aan te nemen dat de bevolkingsaanwas in de wereld van Adam tot Noach groter was dan die van de laatste honderd jaar. Dr. Guy Irving Burch en dr. Elmer Pendell, beide uiterst vakkundige sociologen, verklaren in hun jongste boek Human Breeding and Survival, dat tussen 1900 en 1940 de wereldbevolking toenam met 563 miljoen en gedurende de tien jaren, die aan de Tweede Wereldoorlog voorafgingen, met 200 miljoen. Zij beweren dat, indien Indiaas sterftecijfer zou kunnen worden teruggebracht tot het niveau van dat van de Verenigde Staten, India met haar huidige geboortecijfer vijf werelden zou kunnen vullen, zo dicht bevolkt als de onze en dat in één eeuw. China zou hetzelfde kunnen en het zou de U.S.S.R. niet veel meer tijd vergen.
De gegeven schattingen voor de antediluviaanse
(vóór de zondvloed, ftv) bevolking moeten daarom gezien worden als zeer gematigd.
Maar indien de bevolking gegroeid was in een mate als aangeduid, dan zou het redelijk zijn aan te nemen, dat de mens zich verspreid had tot ver buiten de naaste omtrek van de Hof van Eden en bezit genomen had van het grootste deel van het aardoppervlak, zoals God hem had bevolen. Dat dit laatste inderdaad het geval was schijnt te volgen uit het feit, dat God de hele aarde verwoestte met al het vee en het kruipend gedierte. God verwoestte de aarde om de goddeloosheid van de mensen. Hij zou toch niet de hele aarde met alle schepsel hebben verwoest, indien de goddeloosheid zou zijn beperkt geweest tot een klein gebied, bijv. van de vallei van de Eufraat en van de Tigris, zoals wel beweerd is.
God strafte de goddeloosheid van Ninevé en verwoestte die grote stad, maar niet heel Azië. Hij strafte de afval van Israël, maar Hij verwoestte niet het hele Romeinse Rijk vanwege hun ongeloof: “De ziel die zondigt, zal sterven.”

De vraag doet zich nu voor: Wat onthullen de gesteenten over een mogelijke verbreiding van het menselijk geslacht? Hebben we hier hetzelfde bewijs als in het geval van planten en dieren? Het is vreemd, maar op dit punt zijn de gesteenten verwonderlijk stilzwijgend.
We worden echter niet geheel in het duister gelaten. Er is enig redelijk betrouwbaar bewijsmateriaal verzameld in bijna elk deel van de aarde en zonder twijfel zullen met het voortgaan van de tijd verdere resten van de antediluviaanse mens en zijn beschaving worden gevonden.
Prof. Hugo Obermaier van de universiteit van Madrid heeft heel wat materiaal over het vroegste bestaan van de mens in deze wereld verzameld. Hij stelde vast, dat van de landen van Europa, vooral Frankrijk, het grootste aantal fossielen van de mens heeft. Maar fossiele mensenresten zijn in geen geval tot Frankrijk of Europa beperkt.
Van het materiaal dat hij verzamelde, zal ik slechts een paar voorbeelden uitkiezen. Obermaier bericht over de ontdekking van een grot in Frankrijk waar mensenresten werden gevonden samen met de beenderen van de holenbeer, de holenhyena, de holenleeuw, de luipaard, het reuzenhert, de mammoet, de wolf, de behaarde rinoceros en het rendier. De mens wordt dus gevonden samen met de overblijfselen van dieren die nu uitgestorven zijn, of die nimmer in historische tijden deze streken van de wereld bewoonden. Volgens dezelfde schrijver werd in 1865 bij Colmar in de Elzas in een lösslaag een mensenschedel gevonden, 2½ meter onder de oppervlakte en samen met mammoet, bizon en andere
prehistorische dieren.

In 1914 werd een volledig mensenskelet gevonden bij Straatsburg in een laag van o.a. kiezelsteen en ook hier samen met de overblijfselen van een prehistorische mammoet.
In België, bij Namen, werden de resten van mensen gevonden samen met die van de mammoet, de behaarde rinoceros, het reuzenhert, het rendier en andere dieren.
In 1857 vond men in Devonshire (Engeland) de resten van mensen, alweer samen met de overblijfselen van prehistorische dieren, zoals hierboven al vermeld.
De Rots van Gibraltar heeft menselijke resten opgeleverd samen met de overblijfselen van een flora en fauna, geheel verschillend van die, welke thans in die streek voorkomen.
In 1914 werden menselijke fossielen in een steengroeve bij Weimar (Duitsland) gevonden op een diepte van 11,9 meter. Samen met deze overblijfselen van mensen vond men as van hout, stenen werktuigen, resten van de rinoceros en van de holenbeer. En twee jaar later werden in dezelfde omgeving de skeletresten van een kind gevonden samen met de fossielen van een rinoceros, een holenbeer en andere prehistorische dieren.

In Honan (China) werden overblijfselen van mensen gevonden in een dikke lösslaag, met de resten van een wild zwijn, bizon en mammoet.
Een zeer belangrijke vondst werd gedaan in Noord-Rhodesië in 1921, terwijl mensen in de mijn werkten die bekend staat als de ‘Beendergrot’. Hier vond men een groot aantal versteende of gedeeltelijk versteende resten van olifant, leeuw, rinoceros, antilope en de beenderen van vele kleinere dieren en vogels. Temidden van deze vreemde verzameling dierlijke beenderen vond men ook een bijna volledige mensenschedel en andere menselijke beenderen. In het jaar 1700 liet Hertog Erhardt Ludwig van Wurttemberg enkele opgravingen verrichten te Cannstadt, bij Stuttgart, alwaar een mensenschedel werd gevonden met de resten van dieren waaronder de mammoet, de beer en de hyena.
In 1883 publiceerde M. M. Schmerling een verhandeling over de beenderfossielen, ontdekt in de provincie Luik (België). De schrijver toont aan, dat hier overblijfselen van mensen gevonden werden samen met die van de rinoceros, de hyena en de holenbeer. In een grot werden de resten van drie personen gevonden. De schedel van een jonge man lag naast een mammoettand. Vuurstenen messen, gepolijste tot naalden gevormde beenderen met gaten erin geboord, werden in dezelfde laag gevonden, samen met een rinoceros.

In 1860 bezocht Sir Charles Lyell de grotten bij Luik en bevestigde vorige berichten.
Tussen 1840 en 1846 ontdekte Boucher de Perthes in de zogenaamde quartaire kiezellaag in hetdal van de Somme bij Abbeville een groot aantal stenen werktuigen, welke de bekende professor Prestwich en John Evans dateerden als behorende tot de periode, toen de mammoet en diens tijdgenoten nog in dat gebied leefden. Toen Sir Charles Lyell Amerika bezocht, onderzocht hij de menselijke overblijfselen gevonden bij Natchez aan de Mississippi. Hier werden menselijke fossielen gevonden aan de voet van de steile wand van löss, samen met de resten van de mastodont, de beenderen van een paard, de resten van olifant, rinoceros en andere dieren, die nu uitgestorven zijn of alleen maar voorkomen in een tropisch klimaat.

In 1874 vond professor Anghey een lange paleolithische pijl of speerpunt, onder een zes meter dikke laag löss een paar kilometer zuidwestelijk van Omaha en samen met,dit door mensenhand gemaakte werktuig, werden de wervels van een olifant gevonden. Andere pijlpunten werden gevonden vijf meter diep in een lösslaag in het dal van de Republican Rivier in Nebraska.
Menselijke resten en door mensen vervaardigde werktuigen werden samen met prehistorische dieren ook gevonden in Pennsylvanië, Nieuw-Mexico en elders. In Zuid-Amerika werden zulke overblijfselen aangetroffen in Brazilië en andere landen.
Dr. G. F. Wright schrijft, dat een mensenskelet werd gevonden in Lansing (Kansas), bedolven onder een lösslaag, hetgeen bewijst dat er mensen waren in het dal van de Missouri Rivier voordat de dikke lösslaag zich afzette. In 1931 groef A. M. Brooking van het Hastings Museum (Nebraska) bij Angus (Nebraska) een grote mammoet op en vond onder het linker schouderblad een lange spitse pijl, hetgeen aantoont dat de mens een tijdgenoot was van de mammoet in het gebied dat nu een deel van de staat Nebraska is. In 1932 werd een ander, door mensen gemaakt, werktuig gevonden tezamen met de fossiele resten van een mammoet, bij Derit, een stadje in Weid County (Colorado).

Nog meer bewijs voor de gelijktijdigheid van mens en mammoet in Noord-Amerika werd in 1938 geleverd, toen Dr. Cyrus N. Roy en Dr. Kirk Byron door mensen gemaakte werktuigen vonden samen met de resten van mammoetbeenderen ongeveer vijftig kilometer zuidwestelijk van Abilene (Texas). Andere kunstproducten werden in een grindgroeve gevonden tussen Clovis en Portales (Nieuw-Mexico), samen met de resten van een mammoet, een bizon en een paard. Soortgelijk bewijsmateriaal is gevonden in West-Canada in het noorden bij Ponoka (Alberta) en oostelijk bij Regina (Saskatchewan).
In een laag grof grind bij Scottsbluff (Nebraska), bekend als de Scottsbluff Bizon Steengroeve, werden pijlpunten, messen en schrapers gevonden, samen met de overblijfselen van een uitgestorven soort bizon en fossiele schedels.
Thans is het een erg droge streek en niet geschikt voor landbouw, tenzij het land kan worden bevloeid.
Deze fossielen werden op grote diepte gevonden. Soortgelijke resten zijn gevonden bij Grand Island (Nebraska).

Een van de belangrijkste ontdekkingen van menselijke overblijfselen van grote ouderdom werd gedaan in de Sandra Grot in Las Huertas Canyon (Nieuw-Mexico). In deze grot vond men een verscheidenheid aan werktuigen samen met de fossiele resten van dieren als paard, kameel, bizon, mammoet, reuzenluiaard en wolf.
Het is belangwekkend op te merken, dat het geologisch bewijsmateriaal, gevonden in de verschillende lagen, er op wijst, dat de lagen onder de afzettingen, die de versteningen bevatten, in water ontstonden.
Dit is des te meer veelbetekenend, omdat thans het gehele gebied bijzonder droog is.
Een van de meest waardevolle ontdekkingen van oude menselijke resten is de zogenaamde Calaverasschedel gevonden in 1886 in Bald Hill (Calaveras County, Californië). Deze schedel werd gevonden in een mijnschacht, veertig meter onder het aardoppervlak in een laag grind bedekt door verscheidene lagen van lava en grind. In 1915 vond Dr. E. H. Sellards de resten van een man bij Vero (Florida), in een laag die door afzetting in water was ontstaan. In dezelfde omgeving, maar dan iets verder, werden exemplaren van een uitgestorven fauna gevonden, de mammoet inbegrepen. Soortgelijke resten zijn gevonden bij Melbourne (Florida).

Tot zover professor Rehwinkel. Dit is een deel van een indrukwekkende en in de wereld van de wetenschap bekende lijst van mensen die mogelijk allemaal vóór de zondvloed op aarde leefden. Zó’n oordeel van God zal nooit meer plaats vinden. God moet het zelf ook verschrikkelijk gevonden hebben. De profeten en apostelen spreken van andere, maar ook totale oordelen over een wereld die haar Maker buiten de deur heeft gezet.

Feike ter Velde

*) Niet meer verkrijgbaar. De Nederlandse vertaling is naar de zevende druk van 1960 (door F. J. Kerkhof). Uitgeverij Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, in samenwerking met Stichting Uitgave Reformatorische Boeken.