De schare die niemand tellen kan
In Genesis 15:5 en 26:4-5 wordt Abraham door de Heere God een nageslacht beloofd, ontelbaar als de sterren. Gaat het hier om de ‘schare die niemand tellen kan’ uit Openbaring 7:9 en gaat het hier dan ook om de verloren tien stammen van Israël? (A. de R. te @)
Antwoord:
Er wordt vaak over de ‘verloren tien stammen van Israël’ gesproken. Het gaat dan om de tien noordelijke stammen van Israël die in het jaar 722 v. Chr. bij de val van Samariadoor de koning van Assur weggevoerd werden, waarvan we niet weten waar ze gebleven zijn (zie 2 Koningen 17:6, 23). In Ezechiël 37:15-23 lezen we echter dat de breuk die in Israël tijdens de regering van Rechabeam, de zoon van Salomo tussen de tien stammen in het Noorden en Juda ontstaan is, geheeld zal worden. Dan zullen de twaalf stammen van Israël weer een eenheid vormen: één land en één volk onder de regering van de zoon van David: de Heere Jezus. Nadat Israël zich onder de leiding van Jerobeam van Juda afscheidde (2 Kronieken 10) zien we echter dat vele Israëlieten vanuit dit tienstammenrijk zich, ondanks de afscheiding, bij Juda aansloten omdat in Jeruzalem het heiligdom, de tempel stond. Zo bestond Juda niet alleen uit mensen uit de stam van Juda en Benjamin, maar ook uit inwoners van uiteindelijk alle twaalf stammen. Om deze leegloop vanuit de tien stammen naar Juda te voorkomen stelde Jerobeam een nieuwe eredienst in met twee gouden kalveren in Dan en Bethel, zodat men niet meer naar Jeruzalem hoefde te gaan om God te aanbidden.
Zelfs na de val van Samaria, tijdens de regering van Hizkia over Juda worden de inwoners van het noordelijke tienstammenrijk van Berseba tot Dan voor het Paasfeest in Jeruzalem uitgenodigd. En velen uit Efraïm, Manasse, Aser en Zebulon trokken op naar Jeruzalem om daar het Paasfeest te vieren (zie 2 Kronieken 30:5-11). Zo zien we dat na de val van Samaria de tien stammen nooit helemaal verdwenen zijn. De ‘schare die niemand tellen kan’ uit Openbaring 7:9 wordt echter gevormd door een schare uit ‘alle volk en stammen en natiën en talen’, dus niet alleen uit Israël! Het gaat hier om hen, die in de grote verdrukking tot geloof gekomen zijn en tot de dood hierin volhard hebben. In het gedeelte voorafgaand aan ‘de schare die niemand tellen kan’ vinden we al de vermelding van de 144.000 verzegelden uit alle twaalf stammen van Israël. De twaalf stammen zijn dus kennelijk al aanwezig vóór deze ontelbare schare. Dat de Heere God aan Abraham een volk beloofde dat niet te tellen is, heeft mijns inziens dus niets te maken met de ontelbare schare uit de grote verdrukking. Wel is het zo dat uit Abraham vele volken voortgekomen zijn, zowel het volk dat vanuit Izak geboren is als de volkeren die vanuit Ismaël geboren zijn, voor ons mensen, een ontelbare schare!
Wie zijn de overwinnaars?
Worden alleen ‘de overwinnaars’ die in het boek Openbaring beschreven worden vóór de grote verdrukking opgenomen, of geldt deze opname voor de gehele gemeente? (L. H. te @)
Antwoord:
In 1 Thessalonicenzen 4:14 wordt kort en bondig de voorwaarde genoemd om deel te hebben aan de opname van de gemeente: ’Indien wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is’. Het geloof in het volbrachte werk van de Heere Jezus aan het kruis op Golgotha en Zijn opstanding uit de doden is de enige voorwaarde om behouden te worden. In 1 Korinthe 15:23 vat Paulus het nog korter samen: ‘die van Christus is bij Zijn komst’. Sommigen menen dat Paulus zijn uiterste best moest doen om deel te mogen hebben aan de opname. In Filippenzen 3:1-14 lezen we namelijk dat hij ‘het nog niet verkregen heeft, maar zich uitstrekt naar het doel en ernaar jaagt’. Maar gaat het hier om deel te krijgen aan de opname van de gemeente? Ik denk het niet. In vers 10 zegt hij dat het hem te doen is om ‘Hem te kennen en de kracht van Zijn opstanding’. Laat het duidelijk zijn dat onze wedergeboorte niet het einddoel is van ons geestelijkleven. Bij de wedergeboorte begint het pas. Vanaf dat moment mogen we ons uitstrekken om Hem te dienen, steeds meer op Hem te gaan lijken en Hem steeds beter te leren kennen door Zijn Geest en het lezen van de Bijbel. Maar met dit alles voegen we niets toe aan ons behoud want dat zijn we al door de wedergeboorte, nee we verlangen ernaar en doen zo omdat we behouden zijn.
In Romeinen 8:37 worden we als christenen ‘meer dan overwinnaars’ genoemd, niet door onze volharding, maar door Hem Die ons heeft liefgehad! Hij heeft de overwinning op Golgotha behaald, dat hoeven wij Hem niet na te doen, we mogen ons deze overwinning toe-eigenen en door het geloof erin gaan staan. In 1 Korinthe 15:57 kunnen we lezen: ‘Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus’ en in 2 Korinthe 2:14 schrijft Paulus zo mooi: ‘Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegenvieren…’. We worden geen overwinnaar omdat wij overwonnen hebben, nee we zijn overwinnaar omdat Hij overwonnen heeft. We worden opgeroepen om als overwinnaar te leven.
In dit alles moeten we proberen onderscheid te maken tussen onze volmaakte positie in Christus en de toestand van ons aardse leven. Hier op aarde is ons leven nog lang niet zo volmaakt, als onze positie die we in Christus al hebben. In Christus zijn we volmaakt, zonder zonde, maar ons aardse leven is nog lang niet zo ver. Paulus jaagde ernaar, dat zijn aardse leven steeds meer ging lijken op zijn positie die hij door het geloof al in de Heere Jezus had. We moeten als het ware hier op aarde steeds meer gaan lijken op dat wat we al zijn in Christus. Dat noemen we geestelijk groeien. De één groeit geestelijk voorspoedig maar de ander stagneert helaas in zijn groei. De mate waarin we geestelijk gegroeid zijn is niet bepalend voor ons behoud of deelname aan de opname van de gemeente. Dan zou de ‘rechterstoel van Christus’ nutteloos zijn. Juist voor de rechterstoel van Christus wordt duidelijk in hoeverre we geestelijk gegroeid zijn en Hij tot Zijn doel gekomen is in ons aardse leven. Wanneer de gemeente opgenomen wordt zal de gemeente voor deze rechterstoel komen te staan en beoordeeld worden.
Alleen behouden door doop?
Kun je op grond van 1 Petrus 3:21 ‘Als tegenbeeld redt u thans de doop’ zeggen dat iemand die niet gedoopt is nog niet behouden is? (A. B. te @)
Antwoord:
In dit Bijbelvers ligt het antwoord al verborgen. De doop is een beeld van de redding van Noach die door het water heen gered werd. Het water dat aan de ene kant de betekenis van oordeel, de dood had, maar aan de andere kant de ark door het oordeel heen gedragen heeft. We zijn in Christus (onze ark) door de dood heen (het water) gered. Net zoals Noach in de ark door het oordeel gered werd, zo werden wij in Christus door het oordeel heen gered. En zo werd de redding van Noach een beeld van onze redding. Zo worden we niet door de doop, maar door het tegenbeeld van de doop, Christus, die voor ons het oordeel gedragen heeft, gered. Niet het doopwater wast ons rein van onze zonden, maar alleen het bloed van de Heere Jezus. De misdadiger aan het kruis kwam zonder de doop in het paradijs. De rooms-katholieken doopte pasgeboren baby’s omdat ze het risico van ongedoopte baby’s die zouden kunnen sterven te groot vonden! Nee, ik geloof niet dat 1 Petrus 3:21 zo bedoeld is. De doop is een ‘bede van een goed geweten tot God’ lezen we verderop en heeft meer te maken met gehoorzaamheid en navolging dan met redding.
Theo Niemeijer