Vragen - jrg. 78-19

ds. Theo Niemeijer • 78 - 2002/03 • Uitgave: 19
Vragen

In Mattheus 27:51-53 lezen we over de verschijnselen die plaatsvonden rond de opstanding van Christus: "En zie het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen". Hoe moeten we ons dit voorstellen? (A. V. te M.)

Antwoord:
Rond het sterven en de opstanding van Christus vonden buitengewone tekenen plaats. Zo beschrijft Mattheus in zijn evangelie de opstanding van vele heiligen. Het gaat hier om vele Oudtestamentische gelovigen, die na de opstanding van Christus uit hun graven opstonden en aan vele mensen in Jeruzalem verschenen. We lezen in Gods Woord, dat Christus de "Eersteling" is die uit de doden op zal staan, vandaar dat we hier kunnen lezen dat deze opgestane heiligen eerst na de opstanding van Christus hun graven verlieten. Bij het sterven van de Here Jezus werden de graven geopend en na de opstanding stonden de heiligen op. We moeten niet denken, dat deze heiligen bij het sterven van Christus reeds levend werden en pas na drie dagen uit hun graf tevoorschijn kwamen. We moeten het laatste stukje van vers 52 direct aan het begin van vers 53 koppelen. Opstanding en het verlaten van het graf vonden op hetzelfde moment plaats. De Here Jezus is, na zijn sterven aan het kruis, neergedaald tot de lagere aardse gewesten om de krijgsgevangenen (de Oudtestamentische gelovigen) vanuit het dodenrijk te bevrijden om hen mee te voeren naar het hemels Paradijs (Efeziërs 4:8-10). Vanaf het moment van het volbrachte werk op Golgotha, gaat iemand die sterft niet meer naar het dodenrijk, maar rechtstreeks naar het hemels Paradijs. De Here Jezus zei dan ook tegen de misdadiger die naast Hem aan het kruis hing: "Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn".

De tekenen rond het sterven van Christus bevestigden deze dingen. Het voorhangsel scheurde, waarmee aangegeven werd dat de weg naar de hemel geopend was… en de graven gingen open, waarmee duidelijk werd dat het dodenrijk de ontslapen heiligen niet meer vast kon houden. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om een aantal Oudtestamentische gelovigen, die als uiterlijk teken het graf verlieten, maar waarin alle Oudtestamentische gelovigen vertegenwoordigd waren. We lezen namelijk in Handelingen 2:29, dat Petrus over koning David zegt: "…dat David gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag", waaruit blijkt dat met het graf van David niets gebeurde bij het sterven van Christus.

In ieder geval hebben de heiligen die hun graf verlaten hebben later hun intrek in het Paradijs genomen en zich bij alle andere Oudtestamentische gelovigen gevoegd.


In Lucas 8:26-33 lezen we over de geschiedenis van de genezing van de bezeten man in het land der Gadarenen. De boze geesten vroegen de Here Jezus in de kudde zwijnen te mogen varen. Waarom gaf de Here Jezus hen hier toestemming voor? (D. v. L. te P in de Filipijnen)

Antwoord:
Over de achtergrond van de demonen lezen we in Judas 6 "…en dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden… onder een straf van eeuwig vuur". Bij de opstand van de duivel, die zich aan God gelijk wilde stellen, (Jesaja 14:14) werd satan uit de hemel geworpen en met hem vele andere engelen. Deze gevallen engelen zijn de demonen, waarmee we ook in Mattheus 8:28-34 te maken krijgen. Deze gevallen engelen zijn door God veroordeeld tot de afgrond en het eeuwige vuur.

Om zo lang mogelijk te overleven proberen ze een bewoning te vinden waar ze kunnen verblijven met als doel om ook degene, bij wie ze wonen mee te trekken in dit verderf. We kunnen hierover lezen in Mattheus 12:43-45 "Zodra de onreine geest van de mens is uitgevaren, gaat hij heen om rust te zoeken, maar hij vindt die niet. Dan zegt hij: Ik zal terugkeren naar mijn huis, waar ik ben uitgevaren; en als hij komt, vindt hij het leegstaan en geveegd en op orde. Dan trekt hij heen en neemt zeven andere geesten mede, bozer dan hijzelf; en zij komen binnen en wonen daar." Bovenstaande heeft misschien Maria van Magdala meegemaakt van wie we lezen, dat van haar zeven boze geesten uitgevaren waren (Lucas 8:2).

Boze geesten zijn dus op zoek naar een woning om te overleven en hun oordeel zo lang mogelijk uit te stellen. Zo weten we ook, dat de Here Jezus onder ons wil wonen en ons hart ter woning begeert. Aan wie willen we ons hart geven? Stellen we het open voor demonische machten of voor de Here Jezus. Vaak, eerder dan men meent, stelt men het hart open voor demonische machten. Via meditatie technieken, waarin men zich helemaal probeert te ontledigen, niet wetende dat men daarmee de deur voor onzichtbare machten wijd openzet! Ook via bepaalde muziek kan men zich openstellen voor demonische machten.. .een gevaar dat door veel jongeren onderschat wordt. Depressiviteit, slapeloosheid, drugsgebruik, alcoholgebruik en seksuele verslaving kunnen in bepaalde gevallen veroorzaakt worden door demonische bezetenheid als gevolg van duistere muziek! De bezeten man, waarover we in Lucas 8 gelezen hebben, werd door een legioen demonen bezeten. Het woord legioen is een Romeinse uitdrukking en staat voor vierduizend strijdbare mannen.

Wat was deze man er verschrikkelijk aan toe. Tegenover de Here Jezus blijken deze machtige demonen niet te kunnen bestaan en smeken Hem dan ook om een andere behuizing, zodat ze niet direct in de afgrond zullen varen. De Here Jezus staat hen toe in de zwijnen te varen, waardoor ze alsnog, met de zwijnen in de afgrond neerstortten. Het hoeden en eten van zwijnen was trouwens in Israël een vreselijke zaak. Varkensvlees mocht door het Joodse volk niet gegeten worden. Ook dit Overjordaanse gedeelte behoorde eigenlijk bij Israël. We hebben hierbij dan ook duidelijk te maken met een oordeel over het ongehoorzame gedrag van deze varkenshoeders. De varkens waren omgekomen... maar wat gebeurde er met de demonen? In Marcus 5:10 lezen we dat de demonen Hem smeekten, hen niet buiten het land te zenden. Deze wens heeft alles te maken met hun angst, wanneer ze met de Here Jezus te maken krijgen en uitroepen: "Zijt Gij gekomen om ons vóór de tijd te pijnigen?" (Mattheus 8:29). "Buiten het land zenden" en "Vóór de tijd te pijnigen" hebben waarschijnlijk met elkaar te maken en doelen op hetzelfde.

De Here Jezus had macht om deze demonen reeds naar de afgrond te verwijzen waar de demonen tot het uiteindelijk oordeel moeten wachten. Zolang ze hier op aarde (in het land) nog een behuizing hebben worden ze nog voor dit moment bewaard. Een nieuwe behuizing zou voor de demonen uitstel betekenen voor het einde dat onvoorwaardelijk zou komen. In het toestaan om de demonen in de zwijnen te laten varen vangt de Here Jezus eigenlijk twee vliegen in één klap: er komt een einde aan het zwijnen hoeden en de demonen storten met de zwijnen in het meer, waarmee de demonen zonder behuizing komen te zitten en uiteindelijk toch in de afgrond terechtkomen.

ds. Theo Niemeijer