Wetenschappers over God

Jan van Barneveld • 78 - 2002/03 • Uitgave: 6/7
“Een eeuwige God is de Here, Schepper van de einden der aarde”
Jes. 40:28


Meer dan 2000 jaar waren de geleerden ervan overtuigd dat de hemellichamen zich in zuivere cirkelbanen bewogen. 'Immers', zo redeneerden zij, 'de cirkel is de meest volmaakte wiskundige vorm en dus moeten de planeten zich ook in cirkels bewegen'. Zelfs de beroemde astronoom Copernicus (hij was het die het waagde te beweren dat niet de aarde maar de zon in het middelpunt van het zonnestelsel staat) ging nog uit van het eeuwenoude vooroordeel dat de planeetbanen cirkels zijn. Het was Johannes Kepler, die na acht jaar ijverig rekenen en meten tot de conclusie kwam dat men het al die 2000 jaar fout had gehad. In 1609 verscheen zijn boek 'Harmonie van de Wereld' en daarin bewees hij dat de planeten zich in ellipsbanen om de zon bewogen. Hij had de moed om de feiten en de metingen, die het boek van de sterrenhemel hem had laten zien, boven een filosofie of een idee van mensen te stellen. Kepler was een zeer gelovig mens. Zijn berekeningen en ingewikkelde formules werden afgewisseld en versierd met lofprijzingen aan God, die hem geholpen had de drie nog steeds bekende 'wetten van Kepler' te ontdekken.

Veel beroemde natuurkundigen waren gelovige mensen. Isacic Newton (1642-1727) wordt algemeen gezien als de beroemdste geleerde van alle tijden. Zijn boek Principia (1684) heeft niet alleen de natuurkunde, maar ook de hele wereld veranderd. De 'drie wetten van Newton' worden nog altijd op de middelbare school onderwezen. Hij heeft ook nieuwe soorten wiskunde ontworpen en was actief op het gebied van de astronomie. Bij Newton waren geloof en wetenschap geen gescheiden gebieden maar een eenheid. Het is weinig bekend dat hij ongeveer evenveel over het geloof heeft geschreven als over de wetenschap. Hij verdiepte zich in het profetische woord, in de geheimen van het boek Openbaring, in de brieven van Paulus en in de raadsels van de getallen van de Bijbel. Hij luisterde eerbiedig naar het boek van de natuur en vond belangrijke natuurwetten. Hij luisterde eerbiedig naar de Bijbel en leerde zo God kennen als zijn persoonlijke Heer en Verlosser; als de God van Israël, de God der goden en de Heer der heren. Zo, gehoorzaam luisterend naar Gods Woord in de natuur en in de Schrift vond hij, net als Johannes Kepler, belangrijke wetten die God in Zijn schepping had gelegd.

Tenslotte iets over de grootste natuurkundige in onze tijd, Albert Einstein (1879-1955). Hij groeide op in een liberaal Joods gezin. Op school, niet thuis, kreeg hij godsdienstonderwijs. Toen hij elf jaar was, was hij een intens gelovig jongetje en maakte zelfs liederen ter ere van God. Toen hij 16 jaar was zei z'n leraar Grieks tegen hem: 'Van jou komt nooit iets terecht'. Hij maakte toch z'n studies af en begon in 1905 wetenschappelijke artikelen te publiceren. Door gewoon uit te gaan van de gegevens die waarnemingen hem verschaften ontdekte hij merkwaardige dingen in de natuur. Bijvoorbeeld dat licht zich soms als golven en soms als deeltjes voordoet. Bijvoorbeeld dat energie en massa in elkaar kunnen overgaan. Zaken die voorheen als absurd beschouwd werden. Eén van zijn uitgangspunten was: 'Religie zonder wetenschap is blind, wetenschap zonder religie is lam'.

In tegenstelling tot Newton en Kepler geloofde hij niet in een persoonlijke God. Wel zocht hij, gehoorzaam luisterend naar wat de 'natuur' zegt, naar de natuurwetten en zo stelde hij eerst de speciale en daarna de algemene relativiteitstheorie op.
Aan het eind van zijn leven kwam Einstein tot de conclusie: "God is wel 'geraffineerd', maar Hij is niet boosaardig'. Nu moeten we even oppassen bij het woord 'geraffineerd'. Dat woord heeft drie betekenissen:
1. Gezuiverd, bijvoorbeeld bij een olieraffinaderij;
2. Doortrapt, bijvoorbeeld bij een misdadiger;
3. Verfijnd. Einstein bedoelde met zijn uitspraak te zeggen dat de wegen van God in de schepping buitengewoon verfijnd waren en moeilijk zijn na te speuren. Misschien vond Einstein het ook wel een beetje gemeen van de Here God om die wetten zo diep en verborgen in de natuur te leggen.

We zien eenzelfde gang van zaken in ons eigen (geestelijk) leven en in Gods handelen met Israël. Paulus zegt hierover: '...Hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn wegen'. Maar, als wij heel eenvoudig luisteren naar Zijn Woord en dat Woord gehoorzaam aanvaarden en volgen, dan zien we iets van Gods 'verfijnde en machtige wegen met Israël en ook in ons eigen leven. Kepler, Newton en Einstein deden dat in de natuurkunde en vonden belangrijke natuurwetten. Wij doen dat met Zijn Woord en zullen zo Gods hand in ons leven ervaren.

drs. Jan van Barneveld