Bewogen brieven (X)

Hugo Bouter • 79 - 2003/04 • Uitgave: 15
Bijzondere beloften van Christus in de Openbaring

‘Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen’
Openbaring 3:5


Deze belofte sluit aan bij de goedkeurende woorden van de Here over een minderheid in Sardes, die kennelijk slechts uit enkele personen bestond.
Hij stelt vast dat zij ‘hun klederen niet hebben bezoedeld’ (3:4a). Het probleem in Sardes was formalisme, geestelijke dorheid en doodsheid. Zij hadden de naam dat zij leefden, maar zij waren dood (3:1). Bezoedeling met de dood wordt in de Bijbel vaker getypeerd als onreinheid (vgl. Numeri 19).
Zonde, dood, onreinheid: het is allemaal onaanvaardbaar voor hen die met Christus zijn levend gemaakt en met Hem zijn bekleed (Galaten 3:27; Efeziërs 2:5). Door het geloof in het volbrachte werk van Christus op het kruis worden wij gereinigd van onze zonden en komt er een einde aan ons leven in de zonde en in het vlees. Symbolisch wordt dit voorgesteld door het uitdoen van de 'vuile klederen' van de oude mens en het aandoen van de 'witte klederen' van de nieuwe mens (Efeziërs 4:20-24; vgl. Zacharia 3). Door het geloof doen wij de nieuwe mens aan, maar tegelijkertijd is dit ook helemaal Gods werk: wij wórden daarmee bekleed. ‘Wie overwint, zal aldus bekleed wórden met witte klederen’ (3:5a).
Dat is hier de belofte van de Here voor de overwinnaars. Wij moeten hierbij zowel een huidig alsook een toekomstig aspect onderscheiden. De witte klederen spreken enerzijds van de smetteloze reinheid van onze positie in Christus, maar anderzijds ook van de heerlijke toekomst die voor ons is weggelegd. Iedere christen dient reeds nu te wandelen in het licht, in het besef dat God hem heeft bekleed ‘met de klederen des heils’ en heeft omhuld ‘met de mantel der gerechtigheid’ (Jesaja 61:10).
Aan de andere kant is dat leven met de Here een voorsmaak van de heerlijkheid die ons te wachten staat. Wij weten dat wij door het geloof geschikt gemaakt zijn voor de hemel en voor de tegenwoordigheid van onze Here en Heiland. Hij heeft ons daartoe waardig (geschikt, passend) gemaakt. Daarom is Zijn belofte: ‘Zij zúllen met Mij in witte klederen wandelen, omdat zij het waardig zijn’ (3:4b). De zonde zal ons dan niet meer aankleven. Ja, witter dan sneeuw zullen wij zijn.
Deze beeldspraak van het bekleed worden (met witte klederen) komt vaker voor in de Schrift. Het is een fundamenteel bijbels gegeven, dat teruggaat tot de eerste hoofdstukken van het boek Genesis: de geschiedenis van de schepping en de zondeval. De eerste mens werd na zijn val door de Here God Zélf bekleed, met het doel om de schande van zijn naaktheid te bedekken (Genesis 3:21). Zo klinkt om zo te zeggen reeds hier de blijde boodschap van het Evangelie. Christus is gestorven voor onze zonden. De zondige mens heeft bekleding, bedekking, verzoening nodig, om voor God te kunnen verschijnen en in Zijn licht te kunnen bestaan. Die ‘bekleding’ kan ons alleen worden geschonken op grond van de dood van het plaatsvervangende offer.
Paulus gebruikt dit beeld ook voor het opstandingslichaam dat wij als gelovigen zullen ontvangen. Wij verlangen ernaar hiermee ‘overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden’ (2 Korintiërs 5:2-3). Wij zijn nu al bekleed met Christus — anders kunnen wij voor God niet bestaan — en straks zullen wij overkleed worden met onze nieuwe woonstede uit de hemel. De gave van de Geest is daarvan het onderpand (2 Korintiërs 5:5).
Nu weer terug naar het boek Openbaring. In de brief aan Laodicea geeft de Here de raad van Hem te kopen goud, dat in het vuur gelouterd is, ‘en witte klederen, opdat gij die aandoet en de schande uwer naaktheid niet zichtbaar worde’ (3:18). In hoofdstuk 4 zien wij de vierentwintig oudsten op hun tronen gezeten, ‘in witte klederen gekleed en met gouden kronen op hun hoofden’ (4:4). Van de gelovigen die uit de Grote Verdrukking komen wordt gezegd: ‘...en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams’ (7:14). De gemeente te Sardes wordt gewaarschuwd dat Christus voor hen zal komen als een dief in de nacht, indien zij niet wakker worden en zich bekeren (3:3). Dat is Zijn komst ten oordeel (vgl. 1 Thessalonicenzen 5:2-3). Voor Zijn bruidsgemeente komt Hij echter niet als een dief in de nacht; zij ziet wakend uit naar Zijn komst als de blinkende Morgenster (zie o.a. 2 Petrus 1:19 en Openbaring 2:28). Naar deze komst ten oordeel wordt ook verwezen in hoofdstuk 16. Wij lezen daar de vermanende woorden van de Here: ‘Zie, Ik kom als een dief. Zalig hij, die waakt en zijn klederen bewaart, opdat hij niet naakt wandele en zijn schaamte niet gezien worde’ (16:15).
Wij worden dus gelukkig geprezen, wanneer wij ‘waken’ en onze klederen ‘bewaren’. ‘Waken’ betekent in verband met de komst van Christus dat wij gereed zijn om Hem te ontmoeten. Het ‘bewaren’ van onze klederen betekent dat onze levenswandel daarmee in overeenstemming is.
Wij moeten met omgorde lendenen en brandende lampen klaarstaan om Christus te ontmoeten bij Zijn komst (vgl. Lucas 12:35vv.). Van de waakzame slaven wordt in dat hoofdstuk enkele malen gezegd dat zij ‘zalig’ zijn, wanneer zij zo worden aangetroffen.
Bij de bruiloft van het Lam lezen wij nog de woorden: ‘Zijn vrouw heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden’ (19:7-8). De ‘bekleding’ is Gods gave, maar zij gaat niet om buiten onze eigen verantwoordelijkheid. Tenslotte eindigt dit boek met een ‘zaligspreking’ aan het adres van hen die hun gewaden wassen (en dus wit maken), ‘opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad’ (22:14).
Alleen de reiniging door het bloed van het Lam geeft ons recht op het eeuwige leven, op een verblijf in de hemelse stad, op het reine en onberispelijke kleed van Zijn volkomenheid.

Hugo Bouter