Bewogen brieven (XIII)

Hugo Bouter • 79 - 2003/04 • Uitgave: 18
Bewogen brieven

Bijzondere beloften van Christus in de Openbaring (13)

‘En Ik zal op hem schrijven de Naam Mijns Gods’
Openbaring 3:12


De ‘overwinnaars’ in de gemeente te Filadelfia kregen nog een extra belofte. Zij zouden niet alleen sterke zuilen worden in de tempel van God, symbolen van macht en kracht. Zij zouden bovendien ook een ‘opschrift’ dragen. Wij hebben al gedacht aan de symboliek van de namen Jakin en Boaz. Maar de naam die de ‘zuilen’ in de tempel van God zullen dragen, is wel heel bijzonder. Christus zal de Naam van Zijn God op hen schrijven! Het dragen van die Naam betekent dat wij Hem toebehoren. God heeft Zijn zegel op ons gedrukt; daarmee erkent Hij ons als Zijn eigendom. Het tekent de bijzondere relatie tussen God en Zijn kinderen als beelddragers van Hem, maar ook de verplichting om Zijn Naam te eren, Hem in ons leven te verheerlijken en groot te maken.
Wij vinden deze beeldspraak vaker in het laatste bijbelboek. Diegenen die het Lam volgen, en dus discipelen van Christus zijn, dragen Zijn Naam en die van Zijn Vader op hun voorhoofden (Openbaring 14:1).
Straks voor de troon van God zullen zij als Zijn dienstknechten Hem vereren, ‘en zij zullen Zijn aangezicht zien en Zijn Naam zal op hun voorhoofden zijn’ (Openbaring 22:4).
Deze naamgeving staat tegenover een ánder merkteken, dat gedragen wordt door de volgelingen van het ‘beest’ en de ‘valse profeet’, de belangrijke werktuigen van de satan in de eindtijd (zie Openbaring 13).
Dat is steeds de grote vraag: aan wie behoren wij toe? Zijn wij het eigendom van de ene, ware God, en dragen wij Zijn Naam? Of dienen wij een andere meester? Laten wij vandaag kiezen wie wij willen dienen (vgl. Jozua 24:15).
De belofte van de Here bestaat eigenlijk uit meerdere onderdelen: ‘...en Ik zal op hem schrijven (1) de naam Mijns Gods en (2) de naam van de stad Mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van Mijn God, en (3) Mijn nieuwe naam’ (3:12b). Het gaat dus om drie namen, die echter nauw met elkaar verbonden zijn. De Naam van God staat tegenover de naam en het merkteken van het beest. De naam van de stad van God, het nieuwe Jeruzalem, staat tegenover die van het grote Babylon. Bij de wederkomst van Christus zullen zowel het beest als Babylon geoordeeld worden. Er wordt dan plaats gemaakt voor de stad van God, de zetel van het Koninkrijk der hemelen.
Als laatste onderdeel van deze belofte lezen wij hier dat de overwinnaars ook Christus’ eigen nieuwe Naam zullen dragen. Dat spreekt van volledige identificatie met Hem in de toekomst. Wanneer wij in Christus geloven, zijn wij nu reeds met Hem één gemaakt in Zijn dood en opstanding. Hij is het Hoofd van een nieuwe schepping; en wij zijn leden van Hem. Onze wandel dient in overeenstemming te zijn met Zijn karakter als de Heilige en de Waarachtige. In Filadelfia werd dat in praktijk gebracht (hoewel er ‘kleine kracht’ was). Straks zullen wij zo nauw met Hem verbonden zijn, dat wij openlijk Zijn nieuwe Naam zullen dragen. Dat betekent dat wij Zijn heerlijkheid zullen tentoonspreiden in een wereld waar zonde en dood, onreinheid en leugen voorgoed zijn uitgebannen.

Hugo Bouter