Gods weg door de tranen heen

Feike ter Velde • 82 - 2006/07 • Uitgave: 6
Hij is al twaalf jaar zendeling in Roemenië, maar komt uit het binnenland van Zuid-Korea, met een boeddhistische achtergrond. Zijn ouders waren al eerder vanuit het boeddhisme tot levend geloof in Jezus Christus gekomen. Hij was 24 jaar toen de Here Jezus op de deur van zijn ongewillige hart klopte. Hij kwam tot geloof en zijn hele leven veranderde drastisch. Nu mag hij, samen met zijn vrouw, vrucht dragen in het Koninkrijk van God. Hong Key Chung (48) kreeg het echter niet cadeau, maar hij vertrouwt God… in alles.



Mijn vader had een landbouwbedrijfje en in mijn jeugdjaren werkte ik graag bij hem in de vrije natuur. We waren boeddhisten, net als alle mensen in onze omgeving. Mijn ouders gingen regelmatig offeren aan de geesten van onze voorouders, zoals dat het gebruik is. Ik had daar als kind weinig of geen interesse voor, maar ik kan het me nog wel levendig herinneren. Korea
was altijd een boeddhistisch land. Na de Koreaanse
oorlog (1950) werd Korea verdeeld in Noord- en Zuid-Korea. Die oorlog is begonnen omdat de Chinezen
en de Russen heel het Koreaanse schiereiland aan het communisme wilden onderwerpen. We waren sinds 1910 bezet geweest door de Japanners, die in 1945 Korea moesten verlaten. Ze hadden de nederlaag geleden tegen de geallieerden en wij werden bevrijd van de Jappen. Zij hebben ons volk veel leed bezorgd, vooral ook de christelijke kerk van Korea. Die is begonnen
in 1885 in het uiterste Noorden van het land, vlak tegen de Chinese grens. Koreaanse zakenlieden die naar China reisden, kwamen met een Amerikaanse zendingsarts in Zuid-China in aanraking. Zij kwamen vanuit hun boeddhistische achtergrond tot geloof in de Here Jezus. Men bouwde in het noorden van Korea
de eerste kerk, de eerste Presbyteriaanse kerk van Korea. Presbyteriaans is vergelijkbaar met Hervormd of Gereformeerd bij jullie in Nederland. Het gebouwtje
van hout en bamboe had een dak van stro, maar was spoedig te klein. Er kwamen steeds meer mensen tot geloof in een steeds grotere regio. In 1907 was er de eerste landelijke Bijbelconferentie in Pjongjang, nu de hoofdstad van Noord-Korea. De zaal kon slechts vijftienhonderd mensen bevatten, maar er waren veel meer aanmeldingen. Men besloot alleen de mannen toe te laten. Het begon op vrijdagavond. Het Woord van God werd rijkelijk verkondigd, maar er was weinig
respons. Het zelfde die zaterdag en zondag erop. ’s Maandags besloot de leiding van de conferentie de hele dag door te brengen in gebed.



Maandagavond was de zaal opnieuw helemaal vol. Dominee Lee bracht de boodschap, diep en indringend. Aan het einde
dankte één van de ouderlingen. Maar toen gebeurde het wonder. Hij begon hardop te huilen en beleed zijn zonde, een bepaalde zonde op financieel gebied en riep het luid uit: “O God, wees mij zondaar genadig.” Tientallen mensen
barstten eveneens in tranen uit en begonnen hardop te bidden. In die verwarring kwam dominee Lee naar voren en riep: “Als jullie dan hardop willen bidden, bid dan allemaal!”
Toen brak de kracht van de Heilige Geest door in een massale en diepe overtuiging van zonde. Niemand kon de eigen verborgen zonden meer binnenhouden. Het brak naar buiten als de lava van een vulkaan. Toen heeft het grote Pinksterfeest van Korea plaatsgevonden. De kerk was nog maar net twintig jaar oud, verwekt door het Woord van de levende God en nu ook vervuld met Zijn Geest. Heel Pjongjang
werd omgekeerd. Duizenden en duizenden kwamen tot levend geloof in de weken daarna. De Here werkte mee met wonderen en tekenen. Niet alleen werden zieken genezen, maar gebroken huwelijken werden hersteld, gestolen dingen werden teruggebracht en overal was heling en verzoening en grote vreugde. Drie jaar later viel Japan ons land binnen. Vele christenen werden omgebracht en de kerk vervolgd. Maar die groeide tegen de verdrukking in. Vooral in de noordelijke gebieden van het land. Toen begin jaren ‘50 de communisten
het land binnenvielen zijn honderdduizenden christenen naar het zuiden gevlucht, vlak voordat het land werd opgedeeld
in een vrij Zuid-Korea en een communistisch Noord-Korea. Dagelijks bidden we nog voor onze lijdende broeders en zusters in het Noorden. De God die neerdaalde in 1907 op ons volk is vandaag nog steeds Dezelfde God. Hij kent de Zijnen, ook daar.



Nadat ik tot geloof ben gekomen ben ik teruggaan naar de middelbare school. Want ik wilde daarvoor niet leren, ik wilde muziek maken, gitaar spelen in een band en meer niet. Ik zat als 24-jarige toen tussen kinderen van zestien en zeventien jaar. Ik heb veel gebeden om genade, want dat vond ik heel moeilijk. Maar ik heb mijn diploma gehaald en ben toen naar de Universiteit in Seoul, de hoofdstad van Zuid-Korea, gegaan. Ik wilde predikant worden, dus het werd een theologiestudie. Het leven in een stad van twaalf miljoen mensen was in het begin niet makkelijk. Maar ik heb een goede tijd gehad en genoten van mijn studie, die ik ook heb voltooid. Ik ben officieel predikant in de Presbyteriaanse
kerk van Zuid-Korea. Maar ik wilde zendeling worden, de wereld ingaan. Ons volk heeft moeten wachten tot 1885 na Christus, voordat het Evangelie bij ons kwam. Al die tijd heeft men ons in de duisternis gelaten. Waar waren de christenen en de zendelingen in al die eeuwen daarvoor? Dat moest veranderen.



Ik wilde daar in dienst aan de Here mijn steentje aan bijdragen.
Zo werden mijn vrouw en ik naar Roemenië geleid. De jaren daaraan voorafgaand, hebben we een zendingsorganisatie
in Seoul opgezet met steun van veel kerken en predikanten. We kregen ons eerste kind, een zoon en we noemden hem Timotheüs. Een heerlijk kind dat gezond opgroeide. Hij viel op door zijn intelligentie. Wij werkten hard, studeerden talen, vooral Engels en baden voor een plaats op het zendingsveld, waarvoor wij voorbereidingen troffen. We zochten de weg en de wil van God. Maar toen gebeurde een grote ramp. Door een fout van de dokter in het ziekenhuis stierf Timotheüs op 9-jarige leeftijd. Onze enige zoon, we hadden nog geen andere kinderen gekregen
en dat bleek later ook niet meer mogelijk. Met diep verdriet en met grote vragen bleven we achter. Wat is Gods wil voor ons leven, waarom moest dit gebeuren? Wat wil de Here ons duidelijk maken? Met Timotheüs stierven we zelf ook innerlijk. Maar, zeggen we achteraf, door de diepste
diepten heen leerden we de betekenis van Romeinen 6 kennen. We moeten met Christus mede gekruisigd worden. In de praktijk van het leven moest Zijn sterven ook ons sterven worden, om daaruit, door Gods grote genade en liefde, op te staan in nieuwheid des levens. We leerden door onze tranen heen te zeggen: “Gods weg is de beste.” We missen onze zoon nog elke dag, we huilen samen nog wel eens, maar we weten dat Gods weg de beste is, ook deze weg voor ons.



Hier in Roemenië mogen we mensen tot levend geloof in Christus zien komen. Ik wil hen vooral ook leren dat christenen geroepen zijn om in de maatschappij christen te zijn. In Korea hebben we veel geleerd van een man als Dr. Abraham Kuijper, die zich verantwoordelijk wist voor de samenleving waarvan hij deel uitmaakte. Zo wil ik dat ook christenen in Roemenië vanuit Gods Woord leren. We houden daarom ook conferenties en toerustingsbijeenkomsten.
Het werk wordt ook steeds weer aangevallen. Als de Here hier zegent komt de vijand met tegenstand en tegenwerking.
Soms onverwacht en heel boosaardig. Maar we houden ons vast aan de Here, aan Zijn beloften en leven biddend in de kracht van Zijn Geest. Voorbede en hulp kunnen we altijd gebruiken. Maar we ervaren steeds weer: de Here voorziet in alles.