Het Elfde Gebod

Gert van de Weerd • 81 - 2005/06 • Uitgave: 26
Het Elfde Gebod

De toekomst van het huis van David is een wet voor de mens



In deze dagen is Israël weer prominent in het nieuws. Op zich is dat een wonderlijke zaak. Het land is maar klein, heeft geen olie en is geen economische macht van betekenis. Toch wordt het in de media behandeld alsof het een wereldmacht is en de beroerte van premier Sharon heeft een aandacht gekregen die gewoonlijk slechts een Amerikaanse president ten deel valt.

Christenen weten waarom dat zo is; omdat Israël Gods volk is; omdat in Jeruzalem het werkelijke centrum van de wereld ligt; omdat God daar gaat wonen als het Messiaanse Rijk gesticht wordt; omdat daar de eindstrijd tussen goed en kwaad zal plaatsvinden. Daarom zijn zowel kwade machten – onder influistering van satan – als goede machten – het werk van de Heilige Geest – op Jeruzalem gericht. Tegen deze achtergrond is de profetie uit 2 Samuël 7:18 en 19 een klaroenstoot van de Almachtige.

Toen ging koning David naar binnen, zette zich neder voor het aangezicht des HEREN en zeide: Wie ben ik, Here HERE, en wat is mijn huis, dat Gij mij tot hiertoe gebracht hebt? En dit was nog te weinig in uw ogen, Here HERE; daarom hebt Gij aangaande het huis van uw knecht ook gesproken over de verre toekomst, en dit is de wet voor de mens, Here HERE.

De profetie spreekt over de verre toekomst. Dat is de Eindtijd en daarover hebben de profeten veel gezegd. De bijbel is daar zo duidelijk over, dat we geen ingewikkelde exegese hoeven te geven. We kunnen gewoon uit de bijbel citeren en daar wat kanttekeningen bij zetten. Allereerst kijken we nog eens naar 2 Samuël 7:19. Het loont de moeite hier de grondtekst bij op te slaan. In vers 19a staat: en-zij-was-klein nog dit in-ogen-van-u Heer Jahweh. We kunnen als volgt vertalen:

En dit was nog maar een bagatel in uw ogen, o Here HERE; maar Gij hebt aangaande het huis van uw knecht ook gesproken over de verre toekomst, en dit is de wet voor de mens, Here HERE.

Wat een wonderlijke tekst. De toekomst van het huis van David is een wet voor de mens. Wat wordt daar nu precies mee bedoeld? Letterlijk zegt de grondtekst, vers 19c: en dit (zô’th) wet van (tôwrâh) de mens (’âdâm) Heer Jahweh. Het woord tôwrâh betekent ten diepste aanwijzing of onderwijzing. Dat is het overbrengen van goddelijke wijsheid op mensen die daar voor open staan; gelovigen dus. Gewoonlijk vertalen wij tôwrâh met wet, maar het is meer dan dat.

Als wij over de wet spreken denken we aan de tien geboden. Wel, dit is ook zo’n Goddelijk gebod – zeg maar het elfde gebod – en dit gebiedt ons om de profetieën over de komst van de Messias en zijn Rijk als een belangrijke tôwrâh, dus onderwijzing, in ons leven te beschouwen. Dat betreft altijd de doelstelling van de raad Gods; de bestemming van de mens volgens Gods wil.



We onderscheiden twee wegen die de Almachtige met de mens gaat. Enerzijds de Gemeente van Christus, die haar bestemming in de hemel heeft (Judas:21). Anderzijds het volk Israël, dat de Messias verwacht en uitziet naar het Messiaanse Rijk. Echter, voor veel Christenen is het lot van Israël van weinig belang; het treft hen niet. De Gemeente wordt immers ten hemel opgenomen voordat de oordelen van de Eindtijd aanbreken? En velen zien helemaal geen toekomst voor Gods volk. Die mening wordt door 2 Samuël 7:19 weerlegt. De verre toekomst van Israël is de wet voor de mens (de gelovige). En daarom luisteren we naar de woorden van de profetie.

De bestemming van de gelovige is dus verbonden aan het huis van David. Dat betekent dat een afstammeling van David daarin een centrale rol speelt en dat is de Messias, Jezus Christus. Van Hem werd gezegd (Lukas 1:32, 33): Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven en hij zal als koning over het huis van Jakob (=Israël) heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen.

Jezus Christus kwam op aarde om onze zonde te verzoenen en stichtte de Gemeente van Christus. Die profetie is vervuld. Maar dat is niet de verre toekomst waar 2 Samuël 7:19 van spreekt. Die tekst spreekt van de Eindtijd – ook voor ons nog toekomst – als de Messias koning over Israël zal worden en het Messiaanse Rijk wordt gesticht. Dat is de troon van zijn vader David waar Lucas 1:32 over spreekt. Dat moment breekt aan als Jezus wederkomt, Zacharia 14:2 Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt. En gelijk Hij gesproken heeft door de mond zijner heilige profeten (Lucas 1:70), komt Hij om Israël te redden van zijn vijanden en uit de hand van allen, die hen haten (Lucas 1:71). Daar is geen woord Frans bij. De profetie spreekt over het heden, want nu neemt de haat tegen de Joden voortdurend toe. En Israël wordt inderdaad omringd door vijanden. Menselijk gesproken ziet de toekomst er duister uit. Maar ziet, wat de profeten zeggen:
Ezechiël 43:7a Hij zeide tot mij: Mensenkind, (dit is) de plaats van mijn troon en de plaats mijner voetzolen, waar Ik (God) wonen zal onder de Israëlieten tot in eeuwigheid. En Jeremia 23:5,6 Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit (Jezus Christus) zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen. En Ezechiël 37:25 Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David (Jezus Christus) zal hun voor eeuwig tot vorst zijn.
Dan gebeurt er nog van alles. De tempel wordt herbouwd (Zacharia 6:13): Ja, Hij (de Messias) zal de tempel des HEREN bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon. En Jeruzalem wordt het centrum van de wereld en de volken van de aarde zullen daarheen ter bedevaart gaan: Zacharia 8:20-23 (grondtekst*) Eens zullen vele volkeren en bewoners van vele steden opgaan. En de bewoners van de ene stad zullen tot de andere gaan en zeggen: laat ons gaan om de gunst des HEREN te verwerven en de HERE der heerscharen te bezoeken, zelf ga ik ook. Alzo zullen vele volkeren en machtige naties opgaan, om de HERE der heerscharen te bezoeken en om de gunst des HEREN te zoeken. Zo spreekt de HERE der heerscharen: Te dien dage zullen tien mannen uit alle volkeren en talen komen en vastgrijpen de zoom van het kleed van een jood en zeggen: laat ons toch met u meegaan, want we hoorden, dat God met u is. In dat toekomstige Messiaanse Rijk zal God regeren, door zijn Zoon, Jezus Christus. Dan zal de aarde vol zijn van kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken (Jesaja 11:9).

De toekomst van Israël is niet alleen hun zaak, het is de wet voor de mens dus ook onze zaak. Bid daarom voor de vrede van Israël!



Gert van de Weerd



* Uit: De Profeet Zacharia, Bijbelverklaring van Gert van de Weerd. Overige citaten uit de N.B.G.-vertaling.