Het geloofsvertrouwen in de psalmen - Ps. 51:12

Feike ter Velde • 78 - 2002/03 • Uitgave: 5
Het geloofsvertrouwen in de psalmen

"Schep mij een rein hart, o God!”
Psalm 51:12


Het was bij David van de ene zonde tot andere gekomen. Eerst liet hij zich verleiden door de schoonheid van Bathséba. Daarna komt het tot leugen en moord, om de gevolgen van zijn zonden te verdoezelen. Dan komt de profeet Nathan hem een verhaal vertellen van iemand die groot onrecht had gedaan. David ontsteekt daarover in woede (2 Sam. 12:5). Hij wist het zo goed. Zonde en onrecht zijn een gruwel in de ogen van de heilige God. Hoe makkelijk komt het ook bij ons tot veroordeling van anderen, die zonde bedreven. Dan verheffen wij ons boven de zondaar en denken zelf buiten schot te blijven.

Maar dan wijst de vinger van de profeet onverschrokken naar David: "Gij zijt die man!" Het kind dat uit deze hoererij werd geboren kreeg een ziekte en stierf, ondanks Davids vasten en bidden voor het leven van het jongetje. Zonde is zo geraffineerd. Neen, ons hart is zo geraffineerd; het is bedrieglijk en arglistig (Jeremia 17:19). Zó zijn wij, zegt de Bijbel. Zo was zelfs één van de grootste mannen in de Bijbel: David, de man naar Gods hart. Wat eerlijk van Gods Woord. Niemand wordt mooier voorgesteld dan de werkelijkheid is.

Bij David dringt langzamerhand de ernst van het gebeuren door. Dat was er niet onmiddellijk, hoewel David erkende voor Nathan: "Ik heb gezondigd" en hoewel Nathan de vergeving aan hem mocht verkondigen. Toch is dat niet voldoende. De Heilige Geest werkt dieper door dan de juridische kant van schuld en straf. De Geest dringt door in de diepte van het bestaan, in de meest verborgen schuilhoeken van het leven: tot in het hart. Daar legt de Geest de werkelijkheid neer van de zonde en laat de totale verwoesting ervan in het leven zien. Wie dat ziet, overziet een slagveld, een verwoesting, een vernietiging.

David, die de Here zo goed kende als de goede Herder van Psalm 23 ziet dit ook. Hij komt tot de overtuiging: "In ongerechtigheid ben ik geboren". Zó diep reikt de Geest. Die overtuiging maakt het onmogelijk om lichtvaardig met de zonde om te gaan. Om je te beroepen op de omstandigheden. Om je te spiegelen aan anderen. Om anderen de schuld ervan te geven. Om uitvluchten te bedenken. Om dingen aan te dragen die je zouden rechtvaardigen voor God: je kerkelijke leven, je goede gedrag, je mooie daden, je bijdragen in anders noden.

De Geest overtuigt, heel diep, en toont de existentiële en totale verdorvenheid van het menselijk hart. Daar moet niemand minder aan te pas te komen dan de Schepper van hemel en aarde - de levende God Zelf. Hij moet een nieuwe scheppingsdaad verrichten: "Schep mij een rein hart, o God!".

Die scheppingsdaad hééft de Schepper verricht op de Paasmorgen en op de Pinksterdag! Eerst werd de Here Jezus als 'de nieuwe mens' opgewekt. De tweede Adam. God doet iets geheel nieuws in de dood en de opstanding van Christus. Vervolgens in allen, die door een waar geloof in Hem opnieuw worden geboren. Dat is een groot wonderwerk van de Geest, dat op de Pinksterdag begon in de honderdtwintig daar bijeen en doorgaat tot op vandaag. Dit moet eerst door ons worden gezien en worden verstaan. Maar dan moet het toch nog dieper doordringen in ons binnenste. Het moet worden gekènd. Het moet een diep innerlijk weten worden, dat de kennis te boven gaat. In die overtuiging van de Heilige Geest komt de scheppende kracht Gods mee, om ons een nieuw hart te schenken en ons tot een nieuwe schepping te maken. Dàt is Pinksteren. Laat daarom ons gebed zijn: "Schep mij een rein hart, o God!" gepaard met een vast geloof, dat de Here dat wil en zal doen in Zijn wondere genade.

Feike ter Velde