Kabod

Gieneke van Veen-Vrolijk • 86 - 2010 • Uitgave: 1
Gods eer en heerlijkheid

Vorige keer stonden we stil bij het Hebreeuwse werkwoord ‘kabed’ dat - uitgaande van een grondbetekenis ‘zwaar/gewichtig zijn’ - de betekenis heeft van: eren, waardig achten, hoogachten. Als vervolg hierop gaan we ditmaal nader in op het woord ‘kabod’, dat van voornoemde stam ‘kabed’ (eren) is afgeleid.
‘Kabod’ (uitspraak: kavod) is een belangrijk Hebreeuws woord dat 199 keer voorkomt in de oudtestamentische tekst. Dit woord vindt men vooral bij de profeten Jesaja en Ezechiël en in de boeken Psalmen en Spreuken.
Als zelfstandig naamwoord heeft ‘kabod’ twee betekenisaspecten. Ten eerste kan ‘kabod’ worden vertaald met: gewicht, kracht, macht, vermogen. Ten tweede betekent ‘kabod’: eer, glorie, heerlijkheid, waardigheid, luister. In dit tweede betekenisaspect komt ‘kabod’ vooral voor met betrekking tot de Here God Zelf, Zijn Goddelijkheid, Woord, Zijn naam, werken, heiligdom, stad. Daarom is ‘kabod’/glorie dan ook een belangrijk theologisch begrip. Dit woord komt immers voor in verband met Gods Wezen, handelen en zeer veel zaken die van Hem spreken en/of Hem toebehoren.
Het is zeker niet overdreven te stellen dat we het woord ‘kabod’/heerlijkheid niet goed in een korte studie kunnen behandelen. We benoemen hier slechts enkele punten betreffende dit inhoudelijk rijke en veelomvattende woord.

‘Kabod’/heerlijkheid en Gods aanwezigheid
Het begrip ‘kabod’/heerlijkheid wordt in het bijzonder gebruikt om de zichtbare manifestatie van Gods aanwezigheid te beschrijven. Nadat God het volk Israël uit Egypte had geleid tot bij de Sinai, verbleef de ‘kabod’/glorie van de HERE op de berg als een verterend vuur, waarbij ook de bedekkende wolk was (Exodus 24:16,17)1. Alleen Mozes had het grote voorrecht daar te zijn en met de Here te spreken van aangezicht tot aangezicht (Exodus 24:18; 33:9-11).
Gods ‘kabod’/luister duidt op Zijn aanwezigheid in de Tabernakel en bij de offerdienst en aanbidding. Zo beloofde de Here tijdens het offeren tot de Israëlieten te komen “…opdat zij worden geheiligd door Mijn ‘kabod’/heerlijkheid” (Exodus 29:43). En toen Mozes de tabernakel had opgericht toonde God Zijn aanwezigheid te midden van Zijn volk, want “…de ‘kabod’/glorie van de HERE vulde de tabernakel” (Exodus 40:34,35). Zie ook Leviticus 9:6,23.
‘Kabod’/glorie is ook de uitdrukking van Gods aanwezigheid bij de Ark. Daarom kreeg Eli’s kleinzoon de trieste naam ‘Ikabod’ (= geen ‘kabod’/glorie), nadat de Filistijnen de Ark Gods hadden meegenomen.

Geen eigen eer
In Bijbelse gebeden wordt God vaak gesmeekt te willen redden omwille van Zijn ‘kabod’/eer. Dit houdt onder meer verband met de eer van Zijn naam onder de volken. Zo horen we de psalmist smeken “Verlos ons, God van ons heil, omwille van de ‘kabod’/eer van Uw naam… Waarom zouden de volken zeggen: waar is hun God?” (Psalm 79:9,10). Soortgelijke smeking horen we opnieuw: “Niet ons, HERE, niet ons, maar Uw naam geef ‘kabod’/eer, vanwege Uw liefde en waarheid… Waarom zouden de volken zeggen…” (Psalm 115:1,2).
Leerzaam is het te horen hoe deze smeking ons bepaalt bij het belang van Gods eer en glorie te zoeken en niet onze kleine menseneer te begeren. Ook het smeken om hulp beoogt dan Gods eer! Dat maakt ons nederig en klein en kan ons behoeden voor eerzucht en het werken voor eigen eer. Dit zoeken en koesteren van eigen eer gebeurt vaak onbewust of juist bedekt onder een godsdienstige mantel, maar de psalmist leert ons Gods ‘kabod’/waardigheid en macht centraal te stellen. Hij bidt ‘lo lanu JHWH’, niet ons HERE…
De Here Zelf zegt ons dat Hij Zijn ‘kabod’ en lof niet met iemand of iets anders deelt: “… Mijn ‘kabod’/eer zal Ik aan geen ander geven.” (Jesaja 42:8).

Oproep tot eerbetoon aan de HERE
De Here God komt onze diepste eerbetuiging toe. Hoe bedroevend is het wanneer we Hem horen vragen: “Een zoon zal de vader ‘kabed’/eren… Ik ben Vader, maar waar is Mijn ‘kabod’/eerbetoon?” (Maleachi 1:6). Die vraag van toen klinkt ook nu!
Eerbetoon aan de Here betekent onder meer volkomen en onvoorwaardelijke erkenning van Zijn Goddelijke grootheid en de rijke inhoud van Zijn Naam. David zong hierover: “Geeft de HERE ‘kabod’/eer en kracht. Geeft de HERE de ‘kabod’/heerlijkheid van Zijn naam…” (1 Kronieken 16:28). Dit betekent Hem eer bewijzen in ons leven, Hem erkennen als de God van glorie Die ons in Zijn hand houdt. Zijn naam hoog achten en hoog houden in de dagelijkse praktijk van ons leven, dat is Zijn naam ‘kabod’/eerbetoon geven in het besef dat Hij onuitsprekelijk verheven en luisterrijk is, maar tot ons kwam in Zijn geliefde Zoon. Niet voor Zijn heilige naam uitkomen en die naam - de naam van de Here Jezus! (Handelingen 4:12) - niet vurig liefhebben, betekent dat Gods naam niet met de Hem toekomende ‘kabod’/waardigheid wordt behandeld. Dit bepaalt ons bij de praktische vraag of, en zo ja, wanneer, hoe en waarin wij te kort schieten in het erkennen van Zijn ‘kabod’/heerlijkheid. Misschien wanneer wij Hem onvoldoende dankzeggen voor Zijn zegeningen? Of mogelijk wanneer bepaalde oppervlakkigheid of vluchtigheid onze relatie met Hem bepaalt? Duidelijk luidt de oproep:
“…brengt aan de HERE ‘kabod’/eerbetoon van Zijn naam…”(Psalm 29:1-2). Hem komt onze hulde toe, want alleen Hij is de Gloriekoning! (Psalm 24:7-10).
“Psalmzingt de ‘kabod’/glorie van Zijn naam, geeft ‘kabod’/eer…” (Psalm 66:2).

dr. Gieneke van Veen-Vrolijk

1 We noemen vervolgens ‘kabod’ in onverbogen vorm (dus niet in de st. constr. of andere grammaticale vorm die in de Hebreeuwse tekst voorkomt).