Koning der koningen

Henk Schouten • 82 - 2006/07 • Uitgave: 19/20
Wanneer we die uitdrukking horen dan denken we natuurlijk aan de Here Jezus. Wanneer de engel bij Maria komt, horen we deze engel al zeggen: ‘Hij (Jezus) zal als koning over het huis van Jakob regeren.’ Het zijn de wijzen die vragen: ‘Waar is de koning der joden geboren?’


In Bijbelse tijden hadden koningen onbegrensd en onbeperkt gezag over hun onderdanen, er bestond niet zoiets als een constitutionele monarchie. Er was geen gekozen parlement waar de feitelijke regering lag. De vorst heerste per decreet met absoluut gezag. Wij denken dan vaak met een dictatuur te maken te hebben en niet zelden heeft een koning zijn macht op vreselijke manier misbruikt en verliep het koninkrijk tot een vorm van dictatuur. De willekeur van menig vorst heeft veel onheil gebracht.

Toch had het koningschap oorspronkelijk een heel positief doel. Vanouds kende men overal ter wereld deze regeervorm. De taak en roeping van dit ambt, want zo moeten we het zien, was zeer positief geladen. De taak van de koning was vol verantwoording. Zijn zorg betrof zijn onderdanen, zij waren er niet voor hem, hij was er voor hen. De koning had als taak zorg te dragen voor veiligheid en welvaart. Daartoe organiseerde hij het leger en ging zelf voorop in de strijd. De koning bouwde steden, plaatsen waar zijn onderdanen veilig konden wonen. Hij was persoonlijk verantwoordelijk voor de rechtspraak. Natuurlijk delegeerde hij veel van zijn bevoegdheden en liet zich bijstaan door een raad van wijze mannen.



Bovendien had de koning vaak ook een priesterlijke taak. In de Bijbel zien we deze taak echter beperkt tot het geslacht van Levi, maar onder de volken der aarde was de koning dikwijls ook priester, denk bijvoorbeeld aan Melchizedek.



De zondeval heeft er uiteraard ook toe bijgedragen dat het verheven ambt van koning werd misbruikt en veel vorsten meer schade dan zegen brachten voor hun onderdanen. Als zodanig staat de wereldlijke vorst tegenover de Here God. De eerste met al zijn gebreken en tekortkomingen, de tweede in volmaakte vorm tot zegen van mensen. De Bijbel spreekt zowel over de Here God als ook over de Here Jezus in termen van koning en koningschap.

Het was een enorme tragiek dat Israël zich op dit punt aan de volken gelijk wilde maken. Zij hadden God als koning. God zorgde voor Zijn volk. Er waren tijden van zegen wanneer het volk trouw was en al de geboden van God hield. Maar de rampspoed kwam in perioden van ongehoorzaamheid en afval van God. De Here God heerste door middel van richters over Zijn volk. Samuël heeft het moeten meemaken dat het volk, na zijn werk als richter, een koning verlangde. Daarmee verwierp het volk God als koning, ondanks de nadrukkelijke waarschuwingen van Samuël. Wanneer we de boeken Koningen en Kronieken lezen, zien we hoe weinig goeds het volk door de koningen heeft ontvangen. Dat werd al direct duidelijk door de heerschappij van Israëls eerste koning, Saul. Hij stierf een smadelijke dood, nadat hij zich zelfs had ingelaten met het occulte en boze geesten liet oproepen.



Direct na Saul verschijnt een ander persoon die koning mocht zijn: David. In hem en door zijn geslacht heen, komt de belofte van God tot het volk en uiteindelijk tot alle volken. God, die Koning is, zal uiteindelijk dit koningschap weer volledig naar zich toe trekken. Het volk Israël begeerde een andere koning dan God en kreeg die. De mens verlangde een andere koning en legde de heerschappij in de hand van de boze. Satan is tot op dit moment de overste dezer wereld. De vruchten van zijn heerschappij zijn ons bekend. Zijn dictatuur brengt geen heil, zegen of voorspoed. Zijn heerschappij wordt gekenmerkt door vreselijke dingen. U leest ze dagelijks in de krant.

Maar de Here God heeft Zijn plan getrokken, de Psalmist weet ervan en profeteert: ‘Die in de hemel zetelt, lacht…..Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg’ (Ps. 2:4,6). De Bijbel trekt profetische lijnen naar die door God aangewezen koning, lijnen die uitkomen in Lucas 2 en Matteüs 1. Teksten waar we dit artikel mee begonnen zijn. Dan zien we in Jezus de waarachtige Koning, die wel voldoet aan de hoge roeping van dit ambt. Hij gaat in de strijd voorop, gaf zichzelf tot in de dood. Maar zelfs die dood, de laatste vijand, moest wijken voor de Here Jezus. Jezus zorgt op onnavolgbare wijze voor zijn volk. Hij zegt: “Ik ben het brood des levens, Ik ben het water des levens.” Hij is de basis van alles wat nodig is.



Daarom vragen de discipelen na de opstanding: ‘Here, herstelt gij in deze tijd het koningschap voor Israël.’ Dat koningschap komt eraan, maar zij liepen vooruit op Gods plan. Eerst zou nog iets anders komen, de gemeente. Die gemeente staat nog weer in een heel andere relatie tot Gods koning. De gemeente mag Zijn bruid zijn. Gekocht en betaald, gewassen in het bloed, stralend en onberispelijk.



Ds. Henk Schouten