Rampen, hoe reageer je daarop?

Jaap de Keijzer • 86 - 2010 • Uitgave: 3
Mijn eerste gedachte na de informatie over de ramp in Haïti was: Bidden dat er snel hulp komt opdagen. Eén van de grote voordelen van de media is, dat we snel op de hoogte zijn van plotselinge noden in de wereld, zodat we ook direct voor die noden kunnen bidden.

Oorzaak en gevolg

Als er een kind in de gracht valt, wat doe je dan? Ga je theoretiseren over oorzaak en gevolg, of ga je direct actie ondernemen. En als je op tv geconfronteerd wordt met onnoemelijk leed, is het dan gepast om te discussiëren over het waarom of het waartoe? Nee, natuurlijk! Veeleer past ons het ‘weent met de wenenden’. Het eerste en het minste, of wellicht het meeste, wat we kunnen doen, is bidden; gebed voor de stumpers die onder het puin liggen dood te gaan, voor de achtergeblevenen die familie moeten missen.

Je hart zoekt naar een antwoord op een catastrofe van zo grote omvang en onwillekeurig gaan je gedachten naar in de Bijbel gerelateerde gedeelten. Gods Woord geeft immers raad voor alle gebeurtenissen in het leven. Bijbelgedeelten waar ik aan moest denken zijn onder andere deze: ‘Geschiedt er een ramp in een stad, zonder dat de HERE die bewerkt?’ (Amos 3:6). Ook het gedeelte uit Jesaja 5 tot en met 10 waar een keer of vijf de zinsnede staat ‘Om dit alles…’ Daarin zie je dat God kansen geeft om te ontkomen aan dreigende calamiteiten. En verder Amos 4 en 7 waar eveneens sprake is van een reeks naderende rampen.

Toch conclusies
Toch dringen er - en dit is denk ik bij ieder van ons het geval - onwillekeurig vragen aan ons op over dat hoe en waarom, of het nu gaat om een tsunamiramp, een discobrand in Perm (Rusland) of een aardbeving zoals deze op Haïti.
Hetzelfde zie je bij de discipelen in Johannes 9 als zij aan de Here vragen: “Wie heeft gezondigd, hij of zijn ouders?” Ook bij hen schakelde hun denken automatisch over op de vraag: Waardoor komt dat? Ze stelden niet alleen die vraag naar de oorzaak, maar ook hadden zij reeds de conclusies gemaakt. Óf de oorzaak ligt bij de man, óf bij zijn ouders. Dat er andere verklaringen mogelijk waren, was kennelijk uitgesloten. De Here Jezus veegt beide opties volledig van tafel en zegt: “Noch hij, noch zijn ouders, maar…” en dan komt er een hele andere verklaring over het waarom! De les die we hieruit trekken is natuurlijk deze: Ook wij kunnen volledig de plank misslaan. Laten we overigens nooit vergeten dat al onze waaroms in het niet vallen bij het grote waarom, dat de Here Jezus uitriep aan het kruis!
Wel denk ik: Hoe beter iemand zijn Bijbel kent, des te scherper ziet hij de dingen in het juiste perspectief. Maar zelfs dán kun je het helemaal mis hebben. Drie van de vrienden van Job wisten precies hoe de vork van het lijden van Job in de steel zat. Zelfs Job moest uiteindelijk zeggen: “Ik leg mijn hand op mijn mond”, want ook hij had verkeerde conclusies getrokken. Dit maant ons om voorzichtig te zijn met het vaststellen van gevolgtrekkingen. Ik denk bijvoorbeeld aan een Amerikaanse tv-dominee die wist vast te stellen: “Ariël Sharon is in coma, omdat hij de Israëliërs uit Gush Kastif heeft laten verdrijven.” Of een andere die beweerde: “In Haïti wordt voodoo bedreven dus…”

Met een variant op het verhaal in Lucas 13 zouden we kunnen zeggen: “Menen jullie, dat deze mensen in Haïti groter zondaars of schuldiger waren dan alle Nederlanders, omdat zij dit lot hebben ondergaan? Neen, zeg Ik jullie, maar als jullie je niet bekeren, zullen jullie allen evenzo omkomen.” En de psalmist stelt: “Als Gij, HERE, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt, Here, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand die leeft, is voor U rechtvaardig” (Psalm 130:2-4 en 143:2).

God de schuld geven
God de schuld geven is een gegeven dat al zo oud is als de geschiedenis van de mensheid zelf. Dat is gewoon niet eerlijk. Wat zei Adam? “De vrouw die U(!) mij gegeven hebt…” God kreeg de schuld van alle ellende. Een ander voorbeeld: Iemand is zijn leven lang een fervent roker. Vervolgens dienen de gevolgen van dat roken zich aan. Tenslotte zegt de man: “Ik geloof niet in een God die keelkanker heeft uitgevonden.”
Het is heel erg als er mensen omkomen door een ramp. Maar het is nog veel erger dat er mensen zijn, die, nadat ze bij herhaling gewaarschuwd zijn - lees het verhaal van koning Jerobeam - willens en wetens hun eigen ondergang tegemoet gaan. Ze laten alle kansen onbenut om de kans te hebben hun naderende doem te ontkomen. Dát is pas echt erg!

De grootste aardbeving komt nog
Lees eens goed door Openbaring hoofdstuk 16. Dit hoofdstuk eindigt met de zwaarste aardbeving ooit en wel over de hele wereld. Maar daaraan voorafgaand zijn er plagen die de mensen waarschuwen en de kans geven om alsnog gered te worden. Maar dan lezen we de tragiek - vier keer genoemd in Openbaring, zie de hoofdstukken 9 en 16 - “en zij bekeerden zich niet”. De eerlijkheid gebiedt dan, dat je móet vaststellen dat Gods genade en geduld ongelofelijk groot zijn! Daar kun je niet omheen; elke andere vaststelling is niet terecht!
Voorafgaand aan die laatste grote aardbeving wordt de mensheid ernstig gewaarschuwd door andere rampen om zo alsnog te kunnen ontsnappen aan de uiteindelijke ondergang. De enige verklaring voor de reeks gebeurtenissen in dit hoofdstuk is: Gods liefde en Zijn hand is uitgestrekt naar een mensheid in nood.
Vroeg of laat komt echter het moment, zoals een ander woord uit Openbaring zegt: “Geen uitstel meer.” Hetzelfde zie je in de reeks rampen in Amos 4 en 7; in totaal zeker zes rampen en vijf keer staat er “Zij bekeerde zich niet.” Daarop volgt dan ook “geen uitstel meer”, met de woorden “Bereid u om uw God te ontmoeten”, het lied wat gespeeld werd bij het zinken van de Titanic.

Aardbevingen doen meer
Overigens, aardbevingen bewerken ook andere ingrijpende zaken. Hier volgen er enkele:
Gods vijanden worden verslagen: Lees het verhaal van Jonathan en zijn wapendrager en de afrekening met Gog in Ezechiël 38 en 39. Gods Naam wordt groot gemaakt in Handelingen 4. Boeien van gevangen raken los en reken maar dat dit niet alleen letterlijke boeien waren: in Handelingen 16 bekeert een gevangenisdirecteur zich met zijn gezin tot God en komt zo uit de boeien van de zonde. Soortgelijke gebeurtenissen blijken in Haïti plaats te vinden. Ook Openbaring 11 laat iets soortgelijks zien bij een aardbeving, want de Bijbel zegt: “De mensen worden bevreesd en geven de God des hemels eer.”
God doet veel meer dan wij denken: Zo lezen we dat onder andere het reddingsteam van Israël in Haïti niet alleen mensen onder het puin mocht bevrijden, maar ook dat vele vrijwilligers die daarbij hielpen geëmotioneerd werden tijdens het zingen van een lied gezongen op de sabbat, met deze zinsnede uit Psalm 104: “Ziet Hij de aarde aan, dan beeft zij.” God werkt door Zijn levend woord en raakt mensen aan! De Haïtianen kusten de gebedskleden, de tefiloth, van de Israëlische reddingswerkers. Bijgeloof? Of voorspel van de woorden uit Zacharia 8, dat er straks tien niet-Joden de jas zullen grijpen van één Joodse man. Heidenen strekken zich in rampspoed uit naar de God van Israël om hulp? Uiteindelijk komen ze straks terecht komen bij die ene Joodse Man, de Messias, wiens gebedskleed was en is tot heling en redding…

De Koning komt
Verder wijs ik ook nog op hetgeen twee maal in Haggaï staat en herhaald wordt door de schrijver van de Hebreënbrief: “Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven.” Anders gezegd: Elke aardbeving is als het ware een bazuinstoot aan de mensheid met de boodschap: “De Messias komt er aan.” Datzelfde gaf de Here reeds aan in Zijn rede over de eindtijd waarin Hij rampen opsomt die voorafgaan aan Zijn komst. Hij zegt in Lucas 21: “En er zullen grote aardbevingen wezen in verscheidene plaatsen,…” Let op, Lucas spreekt over grote of zware aardbevingen op verscheidene plaatsen. De Bijbel schakeert aardbevingen onder de categorie van de weeën die voorafgaan aan de wederkomst van de Here. “Doch dat alles is het begin der weeën” (Matteüs 24:8). Het zijn de weeën waarover ook de Joodse rabbijnen spreken die voorafgaan gaan aan de komst van de Messias. In feite hoor je in al de beroerten die het mensdom treffen de voetstappen van de komende Koning!

Wat is de uitdaging voor ons als christenen:
Laten wij het voorbeeld volgen van mensen als Mozes en Aäron in het boek Numeri. Telkens als het volk Israël in de woestijn geteisterd werd door een ramp, wierpen Mozes en zijn broer zich op hun aangezicht om het onheil af te wenden. Hetzelfde deden ook Amos en Ezechiël: lees maar eens de gedeelten Amos 7 en Ezechiël 9 en 11. Trouwens ook wij worden daartoe geroepen: ‘Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden’ (Ezechiël 22:30).

Mozes en Aaron, Amos en Ezechiël wierpen zich als een spoorwegbiels dwars op de weg om de aanrollende wagens met rampen beladen te blokkeren en tevens te smeken om vergeving en redding voor een mensheid in nood. Als je beseft dat mensen zonder de Here Jezus voor altijd verloren gaan, dan snap je ook beter de woorden die Paulus schrijft in 2 Korintiërs 5: “Omdat wij zo’n diep ontzag voor de Heer hebben, doen wij ons best anderen voor Hem te winnen.”

Jaap de Keijzer
Met dank aan:
www.cip.nl