SHAMAR

Gieneke van Veen-Vrolijk • 85 - 2009 • Uitgave: 20
Bewaren, in acht nemen én doen
In de Hebreeuwse Bijbel komen woorden voor die veelvuldig en vaak ook in verschillende vormen worden gebruikt. In deze frequent voorkomende woordengroep hoort zeker het werkwoord ‘shamar’ (uitspraak: sjamar) thuis. Dit werkwoord ‘shamar’ met als grondbetekenis ‘bewaren/bewaken’ omvat de volgende betekenisaspecten: behoeden, waken, oppassen, opbergen, onderhouden, in acht nemen.1
‘Shamar’/bewaren komt 468 keer voor in de oudtestamentische tekst en wordt in het bijzonder aangetroffen in de boeken Deuteronomium en Psalmen.
Dit werkwoord wordt aangewend bij het behandelen, benoemen of beschrijven van allerlei zaken die in de Bijbel aan de orde komen. Dit kan slaan op intermenselijke relaties en/of op materiële dingen. Zo zegt Jakob tot Laban: “…ik zal uw kleinvee weiden en ‘shamar/’bewaken” (Gen. 30:31). Een waker 2 van een stad was verantwoordelijk voor het welzijn van de bewoners (Jes. 21:11), evenals de mannen die de toegang tot het koninklijk paleis moesten ‘shamar’/bewaken (1Kon. 14:27). ‘Shamar’ was ook de taak van poortwachters als Semaja (Neh. 3:29). Maar ‘shamar’ wordt bovenal gebruikt met betrekking tot het godsdienstige en geestelijke leven van de mens in relatie tot de Here God en Zijn Woord. Op dit laatste gaan we nader in.

‘Shamar’/onderhouden en het dienen van de HERE
Opvallend is het, dat een van de meest voorkomende vormen van gebruik van ons werkwoord ‘shamar’/bewaren de oproep betreft om toch vooral Zijn geboden in acht te nemen en Zijn dienst niet te veronachtzamen. Abraham, de vader van het geloof, had reeds de verantwoordelijkheid zijn kinderen en al hun nakomelingen op te dragen dat zij ‘de weg van de HERE zouden ‘shamar’/bewaren…’ (Gen. 18:19). Dit vinden we ook in de zo bekende tekst waarin de Here zegt dat Hij barmhartigheid betoont aan wie ‘…Mij liefhebben en Mijn geboden ‘shamar’/onderhouden’ (Ex. 20:6). Ook elders in de Tora komt deze opdracht terug: ‘Mijn inzettingen en Mijn rechten zult u ‘shamar’/onderhouden…’ (Lev. 18:26).
Het werkwoord ‘shamar’/onderhouden komt regelmatig voor in combinatie met andere werkwoorden, met name het werkwoord ‘doen’. Gods Woord ‘shamar’/bewaren én doen is de basis om te Here God te dienen. Dat hield Mozes de Israëlieten voor: ‘Hoor Israël, de inzettingen en rechten… dat u deze zult leren en ‘shamar’/onderhouden om ze te doen’ en ‘U moet ‘shamar’/in acht nemen om te doen wat de HERE u gebiedt…’ (Deut. 5:1, 32). Dat is wat Mozes’ opvolger Jozua ook als opdracht kreeg als fundament van zijn bediening voor God. ‘Alleen wees sterk en zeer moedig om te ‘shamar’/bewaren en te doen naar heel de Tora… wijk er niet van af… overdenk het dag en nacht opdat u zult ‘shamar’ om te doen naar alles wat daarin is geschreven, want dan zult u voorspoedig zijn…’ (Joz. 1:6-8).
Het wordt ons wel heel duidelijk dat echt bewaren van Gods Woord iets anders is dan het kennen, er uit lezen en leren, hoe belangrijk dit alles ook is. We zien dat ‘shamar’/onderhouden van de Schrift inhoudt dat je er uit en naar leeft - dat is het ‘doen’ - om zo de Here te dienen. Dat vraagt overgave en gehoorzaamheid!

Gehoorzaamheid en zegen
De ‘shamar’-teksten in Deuteronomium benadrukken vooral de wederzijdse relatie tussen het volk Israël en de Here God en onderstrepen het verband tussen gehoorzaamheid en zegen en ongehoorzaamheid en straf. Kort vóór de intocht in het beloofde land houdt Mozes Israël voor ‘U zult Zijn inzettingen en geboden ‘shamar’/in acht nemen… opdat het u zal welgaan…’ (Deut. 4:40). Het gaat hier om een actief in acht houden van Gods geboden en hier naar leven en handelen. Zo met de Here God leven is de weg ten leven en van zegeningen. Bij herhaling horen we Mozes zeggen: ‘Opdat u de HERE uw God zult vrezen om al Zijn inzettingen en geboden te ‘shamar’/onderhouden’ (Deut. 6:2,3). Onvermoeid roept hij Israël op tot trouw aan Gods Woord opdat Hij hen zal zegenen: ‘U moet horen Israël en ‘shamar’/bewaren…’ Dit geldt onverminderd ook ons. In onze tijd en situatie dienen ook wij ons aan Gods gezaghebbende Woord en gebod te onderwerpen en wat Hij ons hierin voorhoudt is om eerbiedig in acht te nemen. Dit sluit uit dat wij de Bijbel naar eigen inzichten uitleggen, of aan onze tijd en situatie aanpassen.

Liefde voor God en Zijn Woord
Het werkwoord ‘shamar’/bewaren komt opvallend veel voor met betrekking tot het in acht nemen en volgen van Gods Woord. Veelzeggend is het dat in Psalm 119, waarin de Schrift centraal staat, 21 keer het werkwoord ‘shamar’/bewaren voorkomt. Op uiteenlopende wijze wordt hier de Schrift belicht, bezongen en geprezen en roept de psalmist ons op tot trouw, overgave en toewijding aan Gods Woord. Hij verwoordt zijn vastberadenheid om trouw te zijn aan Gods Woord: ‘Ik zal Uw inzettingen ‘shamar’/bewaren’ en ‘Ik heb gezegd dat ik Uw Woorden zal ‘shamar’/onderhouden’ (Ps. 119:1,57) en bidt dan ‘dat ik Uw Woord ‘shamar’/beware…’ (vers 5,17). Van deze psalmist mogen we diepe, eerbiedige liefde voor Gods Woord leren en nazeggen: ‘Mijn ziel ‘shamar’/bewaart Uw getuigenissen en heeft ze zeer lief’ (vers 167,168).

Dr. Gieneke van Veen-Vrolijk

1 Bepaalde betekenissen - zoals ‘zichzelf in acht nemen’- behorend bij de verschillende ww.vormen van ‘shamar’, blijven hier buiten beschouwing.
2 Van deze grondbetekenis van ‘shamar’ is de regelmatig voorkomende ww.vorm ‘shomer’ (= waker) afgeleid; deze vorm ‘shomer’ werd in een bekende Bargoense verbastering tot ‘smeris’.