Simeon: Wachter Israëls

Gert van de Weerd • 83 - 2007 • Uitgave: 19
Simeon: Wachter Israëls

(Lucas 2:21-35)



Het ging er heel Joods aan toe, die eerste maanden van het leven van Jezus. Vers 21: ‘Toen er acht dagen verstreken waren en Hij besneden zou worden…’ Op die dag ontving het kind zijn naam. Daarin volgde Jozef en Maria getrouw de Thora en zo werd Jezus in het verbond opgenomen.




Na de geboorte van een zoon was de moeder zeven dagen onrein. Vanaf de besnijdenis volgden dan nog 33 dagen, waarin zij niets mocht aanraken dat heilig is en de HEER toebehoort. Ook mocht ze het heiligdom niet binnengaan (Lev. 12:1-8). Op de veertigste dag werd die periode afgesloten. Dan moest elke Joodse vrouw een offer brengen om haar onreinheid te verzoenen. Dat bestond uit een brandoffer (een éénjarig schaap) en een zondoffer (een jonge of tortelduif).

Toen Jozef en Maria in Nazareth woonden, waren ze niet onbemiddeld. Zo kochten zij een ezel toen ze naar Bethlehem trokken. Echter, de reis en het verblijf aldaar had hun reserves uitgeput. Ze deden daarom een beroep op de armenregeling. Die stond toe om het schaap te vervangen door een duif (Lev. 5:7 en 12:8). Zo gingen zij met twee duiven naar de tempel om te offeren én om Jezus aan de HEER aan te bieden (vers 22).



God sprak: ‘Wijd alle eerstgeborenen aan mij; alles wat bij de Israëlieten als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe’ (Ex. 13:2). Deze wet was gebaseerd op de Tiende Plaag (Exodus 12). Toen ging de doodsengel rond in het land Egypte om alle eerstgeborenen te doden. Er was alleen redding in díe huizen waar het bloed van het lam aan de deurpost was gestreken. Daarmee had de Almachtige hun levens gekocht en ging het eigendomsrecht van de eerstgeborenen over op God. Elke eerstgeboren zoon moest daarom losgekocht worden (Ex. 13:13 en 34:20). Dat deed men door vijf sikkels te betalen en een offer te brengen. Lucas spreekt er echter niet van, dus werd Jezus nooit vrijgekocht en behoorde Hij God toe. Het is ook daarom dat zijn ouders naar de tempel gaan. Ze gaan hem voorstellen aan de HEER (Luc. 2:22d, grondtekst).



Als Jozef en Maria de tempel in Jeruzalem binnengaan, vindt een bijzondere ontmoeting plaats. Een onbekende man wacht hen op. Simeon is zijn naam; dat betekent verhoring. Hij wordt rechtvaardig* en vroom genoemd (vers 25). Hebreeuws: Saddîq*, wat onder de Mozaïsche wet de hoogste onderscheiding is. Simeon verwachtte de vertroosting van Israël; een uitdrukking die verwijst naar Jesaja 40:1-2 en 61:1-2. Bekende teksten, die spreken van het toekomstige Messiaanse Rijk als de Messias koning over Israël zal worden. Dat is het Duizendjarig Rijk; het genadejaar (tijdperk) van de HEER.


Vers 26: Simeon had een Godsspraak ontvangen. Hij zou niet sterven voordat hij de Messias gezien had. Vers 27: Gedreven door de Heilige Geest was hij naar de tempel gekomen om de Messias (= gezalfde) van de HEER te ontmoeten (Luc. 2:26).

Vers 28: Vol vreugde loopt Simeon de ouders tegemoet en neemt het kindje in zijn armen. Ontroert spreekt hij een dankgebed uit: De Lofzang van Simeon. En in die weinige regels van zijn bede onthult hij belangrijke heilsfeiten.



De lofzang begint met een ontslagformule: Nu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan (vers 29). Simeon was in dienst van God. Zijn taak wordt niet vermeld, maar die kunnen we wel raden: Hij zag uit naar de komst van de Messias. Dat doe je niet in stilte; dat draag je uit. Simeon was dus een Wachter Israëls, evenals de profeet Ezechiël (3:16-21), maar ook Habakuk (2:1) en Hosea (9:8). Zoals een wachter op de muur uitkijkt naar veranderingen die van belang waren voor de stad, kijkt de wachter over het huis Israëls uit naar tekenen die het heil aankondigen. Dat heil is gekomen in het kindje Jezus. Voor Simeon is daarom het doel van zijn leven bereikt. Nu hij de Messias gezien heeft kan hij in vrede heengaan.



‘Want met eigen ogen heb ik de redding gezien’ (vers 30). De NBG leest hier heil, wat beter is. Voor Joden was dat de komst van het Messiaanse Rijk. Maar, dat heil strekt zich veel verder uit dan de Joden toen begrepen. Vers 31: ‘die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken.’ Letterlijk: onder het aangezicht van alle volken. Dus het heil is voor Jood én heiden. Of, zoals Johannes 3:16 zegt: ‘Want God had de wereld zo lief dat hij zijn enige Zoon heeft gegeven, opdat iedereen die in hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.’

Vers 32a: Jezus is een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen. Letterlijk: een licht tot onthulling, om de volken te verlossen van de duisternis van het heidendom. Vers 32b: ‘en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’ Letterlijk staat er: (tot) heerlijkheid van volk van u Israël. Dat betreft een status; dat spreekt van verhoging. Zo is de komst van de Messias tweeledig: 1) Hij is een licht tot openbaring voor de heidenvolken (wij dus) en 2) Hij zal het volk Israël verhogen. Het eerste heeft de Gemeente van Christus voortgebracht. Het tweede vindt zijn bekroning in het Duizendjarig Rijk, als het volk Israël tot z’n hoge bestemming zal komen.



Vers 33: ‘Zijn vader en moeder waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd.’ Jozef en Maria kenden Simeon niet. Maar deze onbekende man brengt hen woorden van God. Vers 34a: ‘Simeon zegende hen.’ Rabbijnen waren gewoon om bij bijzondere gelegenheden kleine kinderen te zegenen. Ook Simeon doet dat. Waarschijnlijk was hij dus een rabbi. Vers 34b: ‘en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan.’ De komst van Jezus brengt heil, maar ook het oordeel. 1 Petrus 2:6-8 zegt het zo: ‘In Sion leg ik een hoeksteen die ik heb uitgekozen om zijn kostbaarheid; wie daarop vertrouwt, komt niet bedrogen uit. Kostbaar is hij voor u, die erop vertrouwen. Voor wie er niet op vertrouwen, geldt echter: De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden. En: Het is een steen waarover men struikelt, een rotsblok waaraan men zich stoot.’



Het verhaal over Simeon sluit met een bittere profetie voor Maria. Vers 35a: ‘en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden.’ Simeon profeteert hier over de dood van Jezus. Het is verschrikkelijk als ouders een kind moeten begraven. Maria overkwam erger. Zij was getuige van Zijn marteldood aan het kruis (Joh. 19:25-27).

Vers 35b: ‘Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.’ De dood van Christus brengt scheiding aan. Want Jezus volgen is kiezen. Daarin was Hij radicaal: ‘Wie niet met mij is, is tegen mij, en wie niet met mij samenbrengt, drijft uiteen’ (Matt. 12:30).



Simeon,… Hij verschijnt plotseling in de Bijbel en verdwijnt even abrupt. We weten vrijwel niets van hem. Toch is hij hét voorbeeld voor de ware Christen. Zonder ophouden keek hij dagelijks uit naar de komst van de Messias; naar Zijn geboorte én naar Zijn verhoging. Zo dienen wij nu uit te kijken uit naar Zijn verhoging, want die is nabij.

Maranatha; Jezus komt!



Gert A. van de Weerd