Slaapkamergeheim

Kees Middelbeek • 79 - 2003/04 • Uitgave: 26
Als kind heb ik mij bij het wakker worden, regelmatig afgevraagd wanneer ik toch precies in slaap was gevallen. Door mijn ouders werd, overtuigd van de gezonde principes van de 3R-s, rust en regelmaat goed geacht voor hun kinderen wat betreft hun bedtijden. Zo kan het dan gebeuren dat ik u nu kan laten delen in mijn herinneringen uit lang vervlogen jaren. Een tijd waarin geluk nog heel gewoon was en ik (als jong kind) al om acht uur naar bed ging.

Dit naar bed gaan volgde een vast ritueel. We zongen aan de rand van het bed hard en vals een gebedje dat begon met de van weinig realisme getuigende woorden ‘ik ga slapen ik ben moe’ om vervolgens uren lang, met mijn ogen de lijnen te volgen van de barstjes van het stucwerk in het plafond, het behang te slopen of aan het ‘keten’ sloeg met mijn broer, met wie ik de kamer deelde.

In mijn verwoede poging het land der dromen te betreden, werd mijn verstand heen en weer geslingerd tussen de vraag of dat moment ooit werkelijk zou aanbreken, wat onmogelijk leek, want ik wachtte al zo lang en was nog even wakker als een half uur geleden, en de wetenschap dat het werkelijk wel zou gebeuren: immers, het was iedere nacht nog ‘gelukt’.

Als ik dan ’s morgens wakker werd, kon ik er mij vaak over verbazen en dacht ik: ‘wat was nu het moment dat ‘het’ gebeurde’. Ik wist het niet! Toch moest ik er mijn volle verstand bij zijn geweest, immers, dat was de hele vorige avond niet van mijn zijde geweken.

Toen ik ouder werd en de rust en regelmaat van mijn gezonde kinderjaren miste, heb ik dat in slaap vallen meer bewust beleefd. Een van de eerste keren dat dat gebeurde was op een moment dat ik zeker wakker wilde blijven. Na een reis van 24 uur was ik in Zuid Amerika aangekomen. Daar werd ik de hele dag op sleeptouw genomen en zat de avond erna, uitgeput in het donker, in de auto bij mensen op wie ik een goede indruk wilde maken. Dit zou naar mijn stellige overtuiging niet lukken als ik daar spontaan zou gaan liggen ronken.
De rit leek eindeloos en via mijn slapen trokken er verlammingsverschijnselen langs mijn buitenste ooghoeken, richting het centrum van mijn oogleden die zich langzaam maar zeer beslist sloten en niet meer van plan waren open te gaan. Een algehele ervaring van het naar binnentrekken van mijn vitale functies leken het einde van mijn bewuste bestaan in de auto aan te kondigen. Ik was wanhopig.

Wat zou nu het moment zijn dat wij geestelijk in slaapvallen? Zouden we het in de gaten hebben als onze geest het laat afweten en de roes ons vanuit de slapen inpalmt? Weet je, ik heb mij dikwijls afgevraagd, ben ik nog wel bij mijn positieven en mogelijk even erg, zijn er nog wel mensen om mij heen wakker om mij weer bij te brengen als de bruidegom in aantocht is: als Jezus eraan komt? Of word ik wakker als alles achter de rug is?

Ja natuurlijk, we verwachten Hem morgen. We zeggen dat ook tegen elkaar en we weten uit de Bijbel zeker dat dit zo zal zijn. Maar ons gevoel zegt dat het onmogelijk waar kan zijn: immers we wachten al zo lang en we voelen er niets bij en daar laten velen van ons zich dan ook maar door leiden.

Is ons getuigenis dat Jezus spoedig komt en wakker houdt, wèrkelijk ons verlangen? Of is het de tekst van een liedje, waarvan we eigenlijk vinden dat het van weinig realiteitszin getuigt, wat we zingen voor we in ons bed kruipen?

Kees Middelbeek