Vragen - jrg. 79-01

ds. Theo Niemeijer • 79 - 2003/04 • Uitgave: 1
Vragen

In Mattheüs 22:1-14 lezen we over "het koninklijke bruiloftsmaal". Ik heb altijd moeite om het slot van deze gelijkenis te begrijpen. Wie is deze "vriend" die zonder bruiloftskleed binnenkwam, verstomde en buiten geworpen werd? (J. v.d. H. te T)

Antwoord:
Het gaat hier om de derde gelijkenis die de Here Jezus hier achtereenvolgens vertelt en waardoor de haat van de leiders van het volk steeds meer toeneemt.
De eerste gelijkenis (21:28-32) gaat over de twee zonen, die door hun vader voor het werk in de wijngaard geroepen werden, waarbij de ene zoon "ja zegt", maar het toch niet doet en de tweede zoon weigert, maar na berouw het toch wel doet.
De tweede gelijkenis (21:33-46) gaat over de wijngaard die door de eigenaar aan pachters overgedragen wordt. De pachters wilden echter niets van de opbrengst aan de Heer van de wijngaard afstaan. Ze grepen, mishandelden en doden de slaven die gezonden waren om de vruchten in ontvangst te nemen. Dit herhaalde zich nog een tweede keer, totdat Hij zijn Zoon, de erfgenaam zond om de vruchten in ontvangst te nemen en ook Hem hebben zij gedood. De les van deze gelijkenis was: "Het koninkrijk Gods zal van u weggenomen worden en aan een ander volk gegeven worden dat de vruchten wel zal afstaan". De gelijkenis was duidelijk want in vers 45 staat dat de overpriesters en Farizeeërs begrepen hadden, dat Hij hen bedoelde.
Deze laatste van de drie gelijkenissen is onlosmakelijk verbonden met de twee voorafgaande gelijkenissen. Het Joodse volk wordt door God uitgenodigd om tot de bruiloft te komen, maar ze laten het tot tweemaal toe afweten, mishandelden en doodden zelfs de boodschappers. Ze waren te druk met hun akkers en zaken, waarop de koning zo toornig wordt en legers uitzond om de moordenaars te verdelgen en hun stad in brand te steken. Deze profetie is letterlijk zo'n 40 jaar later in vervulling gegaan toen in het jaar 70 Jeruzalem door de Romeinse legers belegerd, ingenomen en verwoest werd.
Vanaf dat moment werden niet meer alleen de Joden, maar alle volkeren uitgenodigd om op Gods uitnodiging in te gaan…het Evangelie werd wereldwijd verkondigd.
Ook tussen de mensen die op de uitnodiging ingaan bevindt zich iemand die het bruiloftskleed weigert aan te trekken. We hebben hier te maken met mensen die zich zelf rechtvaardigen en zich goed genoeg vinden om Hem te ontmoeten. We hebben hier niet met iemand te maken die ongerechtvaardigd toch de hemel in kan komen en alsnog verwijderd wordt. Deze gelijkenis wordt door Paulus in de Romeinenbrief uitvoerig uitgewerkt. Zo spreekt Hij over Israël, dat de gerechtigheid najaagde, maar aan de wet niet toekwam, terwijl de heidenen, die de gerechtigheid helemaal niet najaagden, wél aan de gerechtigheid toegekomen zijn (9:30-31). In de eerste acht hoofdstukken laat Paulus heel duidelijk zien, dat we alleen uit genade door het geloof in Christus, met Goddelijke gerechtigheid bekleed worden. Het is prachtig om zo deze gelijkenis naast de Romeinenbrief te leggen. Zo vinden we in deze gelijkenis de twee zonden beschreven, die het volk Israël begaan heeft, namelijk: verwerping en zelfrechtvaardiging. De uitdrukking "Hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed" omhelst niet de vraag: "Op welke manier hij binnengekomen was" maar "Hoe durf je zonder bruiloftskleed binnen te komen?"
De gelijkenis laat ons zien, dat we alleen met Christus bekleed, Hem kunnen ontmoeten. Adam en Eva waren hun kleed (Goddelijke heerlijkheid) door de zondeval kwijtgeraakt en stonden schuldig en naakt voor God. Door het verlossingswerk van Christus worden we opnieuw met Gods heerlijkheid bekleed en alleen met dit kleed kunnen we voor Gods aangezicht verschijnen.
Uw kleed moet wit zijn als de sneeuw, bereid u tot Gods komst! Weldra verschijnt ons Juda's leeuw, bereid mij tot Gods komst! Bereid mij, om voor uw troon te staan (224:1 Joh. de Heer).


In Mattheüs 12:31-32 wordt over de "lastering van de Geest" gesproken, waarvoor geen vergeving is. Geldt dit ook voor Hebreeën 6:4-6 en 1 Johannes 5:16? (H. N. te W.)

Antwoord:
In Nummer 23 heb ik kort iets geschreven over de "zonde tot de dood" waarop verschillende broeders en zusters verontrust reageerden: "In 1 Johannes 5:16 gaat het om de "zonde tot de dood"…waarvoor geen vergeving is. Er is maar één zonde waarvoor geen vergeving mogelijk is en dat is de zonde van het "verwerpen van Christus als verlosser". Iemand die de Here Jezus verwerpt, ontvangt hiervoor geen vergeving en is daarmee voor eeuwig verloren. Iemand kan nog zo "christelijk" zijn, maar zonder de Here Jezus is zo iemand nog steeds verloren. We kunnen bidden of de Here God deze zonde van het verwerpen van Christus wil vergeven, maar Hij zal dit niet doen…dit is een vruchteloos gebed! Dit leert ons om steeds meer te bidden in overeenstemming met Gods Woord en wil." Hiermee heb ik niet gezegd dat er voor mensen, die nu de Here Jezus afwijzen geen hoop meer is. Zolang het nog genadetijd is, hebben zij de mogelijkheid zich tot Christus te wenden en Hem als hun Verlosser te aanvaarden. Ik heb echter willen zeggen dat, zolang wij nog op aarde zijn, we nog steeds zondaren zijn… maar wel verloste zondaren. Pas na de opname der gemeente kleeft de zonde niet meer aan ons. Voor alle zonden, die we ook na onze bekering begaan hebben of nog doen, hebben we in Christus volkomen vergeving gevonden. De zonde van het verwerpen van de Here Jezus als onze Verlosser behoort daar echter niet bij. Wanneer we met deze zonde sterven, is er geen vergeving en gaan we verloren.
Mattheüs 12 gaat over de lastering van de Heilige Geest en heeft te maken met het bewust afwijzen van het werk van Gods Geest. Dit leidt tot een verhardingsproces, zoals bij de Farao in Egypte en de meeste Farizeeërs en schriftgeleerden ten tijde van het aardse leven van de Here Jezus. Ze zijn zo verhard, dat ze als het ware niet meer tot geloof kunnen komen. Mensen die deze zonde begaan hebben, zullen zich dan ook nooit zorgen maken, of ze misschien deze zonde begaan hebben omdat ze zich hier helemaal niet mee bezighouden. Dit gedeelte staat los van Hebreeën 6. Daar gaat het namelijk over christenen die in hun geestelijke groei achtergebleven zijn en opgeroepen worden de eerste beginselen achter zich te laten en zich uit te strekken naar volwassenheid. Ze kunnen niet opnieuw wedergeboren worden, want dan kruisigen zij Christus voor de tweede keer, maar ze moeten verder geestelijk uitgroeien.


Na de opname van de gemeente lezen we over 144000 Joden, die waarschijnlijk geestdriftige verkondigers van het Evangelie zullen worden en van een grote schare, die dan nog tot het geloof zal komen. Kan dit allemaal zonder de Heilige Geest, want de Heilige Geest wordt bij de opname van de gemeente toch van de aarde weggenomen? (G. M. te L.)

Antwoord:
Vanaf het moment, waarop de Heilige Geest op aarde uitgestort werd, woonde de Heilige Geest in het hart van de gelovigen. Zowel de gemeente (1 Korinthiërs 3:16) als de individuele gelovige (1 Korinthiërs 6:19) worden een "tempel van de Heilige Geest" genoemd. Voor de uitstorting van de Heilige Geest, die op de Pinksterdag te Jeruzalem plaatsvond (Handelingen 2:1-4), werkte de Heilige Geest wel op aarde, maar woonde er niet. Dit verschil wordt in Johannes 7:39 duidelijk gemaakt, waar de Here Jezus het volk uitnodigt om, wanneer het dorst heeft, tot Hem te komen om te drinken van het water des levens. De verklaring, die Johannes dan geeft, is belangrijk: "Dit zeide Hij van de Geest, welke zij, die tot geloof in Hem kwamen, ontvangen zouden; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet verheerlijkt was".
Vanaf Genesis 1:2 lezen we reeds over de Geest Gods… de eeuwige Geest, die reeds lang op aarde werkte, maar pas in het hart van de gelovigen woning maakt na de verheerlijking van Christus, bij de uitstorting van de Heilige Geest. Na de opname van de gemeente zal de Heilige Geest op een Oudtestamentische wijze op aarde werken. Volharden tot het einde is dan actueel, want gelovigen kunnen dan ook weer afvallen en Gods Geest kwijtraken.

ds. Theo Niemeijer