Vragen - jrg. 81-06

ds. Theo Niemeijer • 81 - 2005/06 • Uitgave: 6
Vragen



In onze kerk is men van plan om in de toekomst ook “niet-christelijke” liederen tijdens begrafenissen te zingen. Ik heb daar als raadslid van onze kerk grote moeite mee. Hoe moet ik hiermee omgaan? (A. K. te H.)



Antwoord:

In Nehemia 13:6-9 lezen we, hoe men tijdens Nehemia’s afwezigheid, voor Tobia een kamer in de voorhoven van de tempel ingericht had. Het was de Tobia, die zich tegen Gods werk verzet had en nu, nota bene, een plaatsje ingeruimd krijgt in de Tempel! Toen Nehemia weer terugkwam en vernam wat er gebeurd was, maakte hij korte metten met Tobia. Met huisraad en al wierp hij Tobia de tempel uit, reinigde de vertrekken waar hij gewoond had en bracht er het spijsoffer en wierook weer terug. Dezelfde houding had de Here Jezus ook. Toen Hij de wisselaars en de schapenhandelaren in de tempel zag, ontstak Hij in een soort heilige toorn. Hij keerde de tafels van de geldwisselaars om, dreef de offerdieren uit de tempel en liet daarmee blijken, dat ze het gebedshuis tot een rovershol gemaakt hadden.

Nu is een kerkgebouw niet hetzelfde als de tempel… maar toch is het een gebouw dat aan God gewijd is. Er zijn genoeg gelegenheden waar gefeest kan worden en wereldse liederen gezongen kunnen worden. De vijand wil op allerlei manieren voet aan de grond krijgen, niet alleen in het hart van de broeders en zusters van de gemeente, maar ook binnen de muren van onze kerken zelf. Voor je het weet kom je op een hellend vlak terecht en weet je niet meer waar de grenzen liggen.



In Openbaring 20:6 wordt over de eerste opstanding geschreven. Deze opstanding, aan het begin van het Messiaanse vrederijk, wordt toch voorafgegaan door de opstanding bij de opname van de gemeente, die in 1 Thessalonicenzen 4:13-18 beschreven wordt? (J. M. te O.)



Antwoord:

Bij de wederkomst van Christus op de Olijfberg zal een einde gemaakt worden aan de grote verdrukking, die dan zeven jaar over de aarde gewoed heeft. De antichrist en de valse profeet worden hierbij in de poel des vuurs geworpen en de duivel zelf zal duizend jaar in de afgrond opgesloten worden.

Er zal dan een tribunaal opgericht worden, waarbij de Here Jezus als de Koning der koningen, de volkeren zal oordelen. Hun houding ten opzichte van zijn verbondsvolk Israël, zal daarbij een doorslaggevende rol spelen, waarbij zij als schapen en bokken van elkaar gescheiden zullen worden. De heiligen, die met Hem uit de hemel nedergedaald zijn, zullen met Hem op de troon zitten, om samen met Hem te oordelen. “Of weet gij niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen?” lezen we in 1 Corinthiërs 6:2 en met deze “heiligen” wordt duidelijk de gemeente bedoeld.

Zij zullen met Christus als koningen heersen, maar dan niet zonder de martelaren die tijdens de grote verdrukking omgekomen zijn. Deze martelaren zijn dan ook bij de wederkomst van Christus uit de doden opstaan, om samen met Hem en de gemeente, als koningen, duizend jaar over de aarde te heersen. Bij deze opstanding van Christus op de Olijfberg, aan het begin van het duizendjarig vrederijk, zullen echter alleen de martelaren uit de grote verdrukking levend worden: “en ik zal de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus… die noch het beest, noch zijn beeld hadden aangebeden en het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij (de martelaren) werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang.” Dit vers vormt een duidelijk bewijs, dat de ontslapenen van de gemeente dus op een eerder tijdstip opgewekt zijn. De gemeente zal al voor de grote verdrukking door haar hemelse Bruidegom thuisgehaald worden. Daar gaat 1 Thessalonicenzen 4 over. U vraagt zich dan natuurlijk af, waarom het dan in Openbaring 20 om de “eerste” opstanding handelt? In 1 Corinthiërs 15:23 schrijft Paulus ook over de opstanding. Hij legt in dit gedeelte uit, dat ieder in zijn eigen rangorde op zal staan: Christus als Eersteling, vervolgens die van Christus zijn, daarna het einde. De “eerste opstanding” vindt plaats in drie fasen: Christus als eersteling, daarna de gemeente als de eertelingen en tenslotte de martelaren uit de grote verdrukking als “ nalezing van de oogst”. Zowel Christus, als de gemeente bij de opname, als ook de martelaren bij de wederkomst van Christus op de Olijfberg, hebben deel aan deze “eerste opstanding” en worden zalig geprezen met de woorden: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, die duizend jaren”. (Openbaring 20:6) Deze “eerste opstanding” wordt ook wel de “opstanding ten leven” (Johannes 5:29) en de “opstanding van tussen uit de doden” (Handelingen 4:2 letterlijk vertaald) genoemd. Vandaar dat we in Openbaring 20:5 kunnen lezen: “De overigen doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren”. De Bijbel onderwijst ons dus niet over één algemene opstanding, waarbij gelovigen en ongelovigen op het zelfde moment op zullen staan, maar eerst over een opstanding van de gelovigen, “van tussen uit de doden” terwijl de ongelovig gestorvenen in hun graven achterblijven en pas na het duizendjarige vrederijk bij de “opstanding van de doden” (de ongelovigen aller tijden) hun graven zullen verlaten om dan voor de grote witte oordeelstroon van de Here te verschijnen.



Ds. Theo Niemeijer