Waar ben je?

Henk Schouten • 80 - 2004/05 • Uitgave: 11
Waar ben je?



De Here God wandelde door de Hof van Eden. Adam en Eva hadden zich uit de voeten gemaakt. Het was allemaal dramatisch anders geworden. De conversatie met de slang was uitgelopen op de grootste catastrofe ooit. Zonde, dood en boosheid hadden hun intrede gedaan, Gods schepping was kapot.

Nu klinkt er een indringende roep door de Hof, waar ben je? Direct wordt duidelijk hoe diep de val is. Adam antwoordt: ‘Ik werd bevreesd’. We zien dat angst Gods schepping binnengetreden is. Angst is sindsdien een ernstige kwaal. Angst, wie heeft er geen last van? Angst is er in vormen en maten, angst bepaalt menig mensenleven. Er kwam niet alleen vrees, ook tweespalt deed haar intrede. ‘De vrouw die Gij aan mijn zijde gesteld hebt’. Die tweespalt ontwikkelt zich in twee richtingen, allereerst naar God. Adam klaagt God aan. Hoeveel mensen hebben God niet aangeklaagd? De aanklachten aan God zijn niet anders dan hopeloze pogingen eigen verantwoording te ontlopen. Niet alleen is de relatie met God kapot, ook de onderlinge relatie tussen mensen is erdoor beschadigd. Spanning tussen mensen, al snel zal duidelijk worden hoe ernstig dat is.

Waar ben je? Adam en Eva meenden zich voor God te kunnen verstoppen. Er zijn meer mensen die denken voor God weg te kunnen kruipen, met het gevoel en de idee dat God niet weet, ziet of hoort. Zo lezen we bijvoorbeeld in Psalm 94:7 ‘De Here ziet het niet, de God van Jacob merkt het niet’. Er zijn ook heel andere mensen, zo iemand horen we in Psalm 139. ‘Waarheen zou ik gaan voor uw Geest, waarheen vlieden voor uw aangezicht? Steeg ik ten hemel, Gij zijt daar. Of maakte ik het dodenrijk tot mijn sponde, Gij zijt er’. God weet waar we zijn, ook Adam en Eva kunnen zich voor Hem niet verborgen houden. De vraag ‘waar ben je?’ is denk ik, niet een vraag naar de plaats waar we ons ophouden. Die vraag van God aan de mens, toen en nu, noopt tot zelfonderzoek. Adam krijgt gelegenheid na te denken over zijn huidige situatie. Adam, mens, wat is de situatie waarin je terecht bent gekomen? Hoe sta je ervoor?

Durven en kunnen wij ons voor Gods aangezicht te plaatsen en na te denken over de vraag hoe we ervoor staan? Misschien dat Adam nog een beetje achterom kijkt naar de slang, waar is het beest gebleven? Zo vriendelijk en bereidwillig als de slang zopas nog was, zo gemeen is hij nu, grijnzend op een afstandje vanwege zijn duivels succes.

Hoe staan wij ervoor? Hoe is onze levenssituatie? Hoe reageert u, wanneer God u aanspreekt? Is dat een boze, ontkennende reactie, is dat een reactie waarin de tweespalt van de zonde gezien wordt, iedereen krijgt de schuld. Probeert u zo weg te kruipen? Er is ook een heel andere reactie mogelijk: ‘tegen U, U alleen heb ik gezondigd’.



De roep van God, waar ben je, is vol van genade. In Gods roepen ligt ons heil besloten. Roepen is altijd een beweging naar de roeper toe. God wil ons tot Zich roepen, vanuit de verloren situatie wil Hij Zijn hulp aanbieden. In het nieuwe testament worden gelovigen heel dikwijls gewoon ‘geroepenen’ genoemd.

Wanneer God roept, wordt ons geweten aangesproken. Adam moet belijden dat hij naakt was. Natuurlijk, we weten dat; Adam had geen kleren aan. Door de zonde is er schaamte gekomen. Velen vandaag zijn op dit punt weer helemaal schaamteloos. Toch heeft Adam’s antwoord niet alleen met het blote lijf te maken. Sterker nog, Adam was op dat moment niet naakt, hij had schorten gemaakt om de zichtbare naaktheid te verbergen. Maar er was ook onzichtbare naaktheid. Kent u dat gevoel? Door besef van zonde voelt u zich hopeloos, door besef van schuld en onreinheid wilt u wel helemaal wegzinken of onzichtbaar worden. Ook al wonen we in een goed huis en kleden we ons volgens de laatste mode en hangt er een halve C&A in onze garderobe. Dat alles neemt de naaktheid en de schaamte vanwege de zonde niet weg. Naakt, onbeschermd, uiterst kwetsbaar. Mensen hebben zich zo wel eens tegen mij uitgesproken. Dat is een belijdenis. Adam belijdt hier zijn tekort, zijn zonde en schuld: Ik ben naakt. Ik heb helemaal niets. Adam wordt door de Here God toegesproken. Adam krijgt een belofte. De belofte van de verlossing en de Verlosser wordt gegeven. Zo wil God mensen toespreken, mensen die op Zijn roep afkomen en hun naaktheid, hun zonde belijden. Dan is er hoop, toekomst, perspectief.

Speelt u nog altijd verstoppertje? Probeert u nog altijd weg te kruipen, probeert u altijd nog schuld van u af te schuiven. De bijbel leert dat wanneer de Heer weer komt, dat anders zal zijn dan in de hof, dan is er niet een barmhartig en genadig roepen, dan horen we van toorn. Dan zullen mensen weer proberen weg te komen en ze zullen roepen en schreeuwen ‘tot de bergen en de rotsen: valt op ons en verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam’. Waar ben je, waar zul je straks zijn?



ds. Henk Schouten