Willem van den Aarsen: Onbegrijpelijk… dat het voor mij is

Feike ter Velde • 81 - 2005/06 • Uitgave: 19
Willem van den Aarsen



Onbegrijpelijk… dat het voor mij is




Wie het enorme terrein op komt van zijn ‘Antiekparadijs’ in West-Brabant, heeft grote kans het Evangelie te horen.

Want hij weet het zeker: God bestaat en Jezus is de weg. “Onbegrijpelijk dat ik zó praat, ik ken mezelf niet terug”. Antiekhandelaar Willem van den Aarsen (61) springen de tranen in zijn ogen als hij vertelt van Gods genade voor hém.




Van mijn vroegste jeugd herinner ik me niet anders dan dat ik met grote tegenzin naar de kerk ging. We waren thuis rooms-katholiek en we moesten naar de kerk. Dat deed iedereen, dus wij ook. Ik weet wel dat we op school leerden dat Luther, Zwingli en Calvijn ketters waren. In mijn tienerjaren gingen we ná de kerk altijd naar het café. Biljarten was mijn grootste hobby. Al jong stroomde het bier rijkelijk. Mijn vader had zijn eigen stamkroeg, daar kwam ik niet. Ik was een echte gezelligheidsdrinker. Ik moest altijd mensen om mij heen hebben. Ik hield van stappen in het weekend.



Vierenveertig jaar lang wist ik niets. We zijn wel in de kerk getrouwd, maar daarna kwamen we nog één keer per jaar in de kerk, met Kerst. Ik dacht verder nergens over na. Dat God zou bestaan of niet? Dat was nooit als vraag bij me opgekomen. Het was hard werken en in het weekend stappen en drinken. Dat was het. Ik werkte vroeger in de bouw, als timmerman en later als opperman over een aantal timmerlui. Hard werken en na werktijd bouwde ik mijn eigen huis, vanuit een bouwval. Ik heb nog als vrachtwagenchauffeur gewerkt. Ik reed op Duitsland. We kregen twee zoons die ook katholiek werden gedoopt. Maar het zei mij niets. Het hoorde erbij. Traditie, meer niet. Na mijn tijd als chauffeur werd ik chef technische dienst bij een wijnbottelarij. De wijn kwam in grote tanks naar Nederland en werd daar in flessen gedaan en van een etiket voorzien. Maar de dagen begonnen me te lang te duren. Ik had het wel gezien. Toen ben ik mijn eigen zaak begonnen. Een echte dumpzaak. Het handelen ging me goed af. Ik had flink gespaard door vooral ook ’s nachts te werken, naast mijn werk overdag. Ik maakte kermisattracties. Ik had tienduizend gulden gespaard, had echter voor mijn winkel elfduizend gulden nodig. Maar het is goed gekomen. Ik adverteerde met: “Willem koopt alles”. Nou, dat deed ik wel, maar ik moest natuurlijk ook verkopen. Toen werd het “Willem verkoopt alles”. Nou dat begon goed te lopen. Ik was toen 26 jaar.



Het was hard werken en veel feestvieren. Geld verdienen en stappen. Op een gegeven moment veroorzaakte ik een ongeluk. Ik had te veel gedronken en reed diep in de nacht met de auto naar huis. Toen de politie kwam moesten ze mij uit de auto halen, die bovenop een andere auto stond. De motor draaide nog en de wielen ook als ik gas gaf. Ik werd wakker in de politiecel. Thuisgekomen heb ik diezelfde ochtend, nog vóór negen uur, mijn winkel verkocht aan iemand die een schroevendraaier kwam kopen. Ik had een kater, hoofdpijn en geen rijbewijs meer.



Hier zitten we al drieëntwintig jaar. Maar diep van binnen ontbrak het echte levensgeluk. Als ik ’s avonds ergens aan de bar zat dacht ik wel eens: ‘Als ik nou maar eens iemand zou redden, bijvoorbeeld van de verdrinkingsdood, dan zou mijn leven nog enige zin hebben’. Alles was zinloos in mijn beleving. Als ik doodga dan praat na vijf dagen niemand meer over me. Ik zou niets nalaten, niet eens een herinnering. Zelfs de keren dat ik wegens dronkenschap in het verkeer, in de cel heb gezeten zouden spoedig zijn vergeten. Het feesten van anderen zou gewoon doorgaan, maar zonder mij en zonder dat iemand aan me zou denken. Met mijn geld kan ik alles kopen en alles oplossen, dacht ik. Ik verdiende meer dan genoeg en bij een probleem trok ik de flappen uit mijn achterzak. Met mijn geld en mijn grote bek lag de wereld aan mijn voeten. Als me iets niet zinde, dan sloeg ik er op los. Ik kwetste mensen, trapte ze de grond in als het me uitkwam, maar zag dat zelf niet. Ik had een leeg leven en dacht dat ik de wereld in mijn broekzak had.



Bij de dood van mijn vader werd ik voor het eerst stilgezet. Ze vertelden me dat hij niet meer beter zou worden, maar spoedig zou sterven. Toen voelde ik voor het eerst van mijn leven dat er dingen waren die ik niet naar mijn hand kon zetten. Ik was voor het eerst afhankelijk, machteloos. Kort daarna zei een collega antiekhandelaar naar aanleiding van de dood van mijn vader: “Maar er is meer hoor ná de dood. Het is dan niet over. Denk dat maar niet”. Toen hij dat zei vloog het me aan. Ik kon er niets mee. Ik wilde weg. Die man spoort niet, dacht ik. Maar het greep me aan en ik wist niet waarom. Later zei hij nog een keer: “Wie zoekt vindt, hoor”. In de auto naar huis zei ik een keer hardop: “God, ik geloof er geen bal van, maar als U bestaat dan is hier Willem, die U heel graag zou willen kennen”. Later heb ik gezien dat op die dag mijn grote ommekeer is begonnen. Als ik iets op de radio hoorde over God dan moest het harder. Ik wilde niets missen. God, wie is Hij? Hij zit in mijn gedachten elke minuut. Via een korte periode in de kerk, waar ik met vrouw en twee zoons ook catechisatielessen volgde, kwam ik op uitnodiging in de Evangelische Gemeente van Roosendaal. Mensen getuigden daar van hun geloof en ik dacht: “Hoe kan dat nou?”. Na de preek deed de voorganger een uitnodiging om je hand op te steken als je Jezus wilde leren kennen. Ik wilde niets liever, maar ik schaamde me om mijn hand op te steken. Wat zouden mijn jongens ervan denken? Toch bij de tweede uitnodiging kón ik niet anders. Ik stak mijn hand op. Wat er toen gebeurde, is niet onder woorden te brengen. Mijn hand werd aangeraakt, van bóvenaf. Mijn arm kon niet meer terug. Er doorstroomde iets door mijn hele lichaam. Ik heb zeker twee minuten lang met mijn arm omhoog gezeten. Ik kon hem al die tijd niet meer bewegen. Die ochtend ging ik met een bijbel onder mijn arm naar huis. De koning te rijk. En toch wás ik er nog niet. Dat werd me daarna pas duidelijk. Op de televisie zag ik een programma met getuigenissen van mensen die tot geloof waren gekomen. Een man vertelde hoe hij was. En dat was ik! Het ging over mij! Het was letterlijk mijn leven, mijn verhaal. En tenslotte zei hij dat hij opnieuw was geboren, een nieuwe schepping was geworden, een nieuw mens. Ineens zag ik en begreep ik heel diep wat er met mijzelf was gebeurd. Die nacht hebben wij, mijn vrouw en mijn twee jongens, tot vier uur zitten praten over de onvoorstelbare liefde van God. Later zei mijn vrouw: “Toen zag ik de liefde van God in jou zichtbaar aanwezig en toen begreep ik het ook”. Ik begreep alles, maar kan er vandaag nog steeds niet bij… onbegrijpelijk, dat het ook voor mij is. Denk je eens in: voor mij!



Feike ter Velde