Zoeken in Het Zoeklicht

Openbaring 10 - Geen uitstel meer

We bevinden ons hier nog steeds onder het zesde bazuingericht, waar de profeet een andere ‘sterke engel’ uit de hemel zag neerdalen. Hij lijkt op Christus, de Engel des Heren, of is een zeer hooggeplaatste engel. Opmerkelijk is dat hij zijn voeten op de aarde en op de zee zet en dat hij een boekrolletje in zijn hand heeft, dat de profeet Johannes moest opeten. Dat smaakte hem zoet als honing, maar zijn buik werd er bitter van.

Sommige gerespecteerde profetie-uitleggers, zoals H.C. Voorhoeve, zien in deze engel Christus Zelf. Dat is een mogelijkheid. Duidelijk is in ieder geval dat de ‘sterke engel’ op de Here Jezus lijkt, want die was volgens Johannes: ‘bekleed met een wolk, en de regenboog was op zijn hoofd en zijn gelaat was als de zon en zijn voeten waren als zuilen van vuur’ (vers 1). Dit komt sterk overeen met de beschrijving van de Mensenzoon in hoofdstuk 1, met het hemelvisioen van God op de troon (Openbaring 4:3), Christus’ hemelvaart (Handelingen 1:9) en Zijn wederkomst (Daniël 7:13).
Maar door de manier waarop Johannes aan de engel durfde te vragen: ‘Geef mij dat boekje’ (vers 9, HSV), kan ik me niet voorstellen dat die engel Christus Zelf is. Waarschijnlijk moeten we hier denken aan een zeer hooggeplaatste engel, want hij is groot en sterk en hem is grote macht en heerlijkheid gegeven, die overeen komt met de heerlijkheid en majesteit van Christus. De stem van de engel (brullend als een leeuw) lijkt ook op de stem van de Here, Die ‘de leeuw van Juda’ is: ‘En de HERE brult uit Sion en verheft Zijn stem uit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven’ (Joël 3:16). Toen de engel geroepen had, hoorde de ziener zeven donderslagen. Donderslagen staan evenals de brullende stem van de Here in verband met Gods oordelen (Amos 2:3-8; Openbaring 8:5).

Het geheimenis van de zeven donderslagen
Toen Johannes wilde opschrijven wat de zeven donderslagen gesproken hadden, werd dat hem verboden. Hij moest het verzegelen, dat betekent dat hij het geheim moest houden (vgl. Daniël 12:4). De beste uitleg hiervan is dat we er niets aan mogen toevoegen (Openbaring 22:18). Er wordt ons veel geopenbaard in het Bijbelboek Openbaring, zoals over de Grote Verdrukking, maar het is niet aan ons om alles te weten en kennelijk ook niet aan de profeet om alles te zeggen. Mogelijk komt dit overeen met een soortgelijke ervaring die Paulus waarschijnlijk ook heeft gehad, toen de Here hem had weggevoerd in het paradijs en hij daar: ‘onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken’ (2 Korintiërs 12:4).

Oordeel en verzoening
De ‘sterke engel’ die Johannes op de aarde en de zee zag staan, hief zijn rechterhand op naar de hemel en zwoer bij God: ‘er zal geen uitstel meer zijn’ (vers 6). De komst van het Koninkrijk leek al zolang ver weg, maar is dan zeer aanstaande. De tijd van oordeel en wraak en ook van verzoening is dan voor Israël aangebroken. De weeën van ‘Jakobs Benauwdheid’, waaruit het Koninkrijk van God geboren wordt, kunnen door niemand uitgesteld worden.
We lezen over ‘Jakobs Benauwdheid’: ‘Want zo zegt de Here: Angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil. Vraagt toch, ziet, of een man baart; waarom zie Ik iedere man met zijn handen aan zijn heupen als een barende en heeft elk gelaat een lijkkleur gekregen? Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden. Op die dag zal het gebeuren, luidt het woord van de Here der heerscharen, dat Ik het juk van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten, maar zij zullen de Here, hun God, dienen en David, hun Koning, die Ik hun verwekken zal’ (Jeremia 30:5-9 vgl. Micha 4:9-10).

Jakobs Benauwdheid
‘Jakobs Benauwdheid’ wordt in de Schrift ook wel ‘de Grote Verdrukking’ genoemd en breekt aan als de zevende engel de bazuin blaast (Openbaring 11:15). De zevende bazuin is ook ‘het derde wee’: ‘maar in de dagen van de stem van de zevende engel, wanneer hij bazuinen zal, is ook voleindigd het geheimenis van God, gelijk Hij zijn knechten, de profeten, heeft verkondigd’ (vers 7).
‘Jakobs Benauwdheid’ wordt ook wel aangeduid met: ‘een tijd, tijden en een halve tijd’, of ‘tweeënveertig maanden’, of ‘1260 dagen’. Het zal een vreselijke periode omvatten, die van ‘de zeven schalen van gramschap’ (Openbaring 16). De mensen zullen dan doodsbang zijn voor de dingen die over de wereld zullen komen (Lucas 21:26). De Here Jezus heeft daarover voorzegd: ‘Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort’ (Matteüs 24:21-22). God heeft nog een uniek plan met Zijn volk Israël in het heerlijke Duizendjarig Rijk van Christus (Jeremia 31:7). Daarom zal Zijn volk, althans een rest daarvan (‘gans Israël’), behouden worden: ‘Voorwaar, Ik zeg u, dit geslacht zal geenszins voorbijgaan, voordat dit alles geschiedt’ (Matteüs 24:34).

Johannes moest opnieuw profeteren
Opmerkelijk is dat Johannes de opdracht kreeg om het boekrolletje dat in de hand van de engel was op te eten. Waarschijnlijk gaat de inhoud daarvan over hoofdstuk 11 t/m 19. Het wordt in de grondtekst een kleine boekrol genoemd, want in die tijd waren er nog geen boeken. Het is kleiner dan de boekrol van het Lam, uit hoofdstuk 5. Want Christus is groter dan de profeet-knecht Johannes. Johannes moest één worden met de profetische boodschap, daarom moest hij het boekrolletje opeten (Psalm 119:103). Dat smaakte hem zoet in de mond, maar het lag ook zwaar op zijn maag, want het werd bitter (vgl. Ezechiël 2:9-3:3).
Wat heeft dit te zeggen? De beloften van Gods Koninkrijk zijn heerlijk. En natuurlijk ook Zijn uiteindelijke heilsplan voor de volken. Maar de oordelen over de onrechtvaardige mensen, die zich niet wilden bekeren, zullen groot zijn. En dat ligt hem zwaar op de maag, maar ook daarvan moest hij spreken namens God (vers 11). De vraag die wij onszelf moeten stellen is: “Durf ik alleen te spreken over Gods liefde, of ook over Zijn oordeel.” Want de Bijbel is daar wel eerlijk over: ‘Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van God niet heeft, heeft het leven niet’ (1 Johannes 5:12).

Jeep van der Schoot