Zoeken in Het Zoeklicht

Gnostiek en de moderne esoterie

Jaargang: 86 - 2010, Nummer: 19
Eén van de meest gevaarlijke dwaalleren van de eerste twee eeuwen van de christelijke Kerk was de gnostiek. In verschillende brieven van het Nieuwe Testament wordt ingegaan op en gewaarschuwd voor ideeën die afkomstig zijn uit de gnostiek. Dat geldt voor de brief aan de Kolossenzen, de brieven aan Timoteüs en Titus, de tweede brief van Petrus en vooral ook de brieven van Johannes. Wanneer je een beetje bekend bent met wat de gnostiek van toen inhield, begrijp je veel beter waarom de apostelen geschreven hebben wat ze geschreven hebben. Daarom volgt nu een korte samenvatting.
Een centrale gedachte in de gnostiek is dat het geestelijke goed is en dat het materiële kwaad is. Vanuit deze tweedeling (ook wel ‘dualisme’ genoemd), wordt er dan ook gezegd dat het lichaam van de mens kwaad is. Het lichaam van de mens hoort immers bij de materiële, stoffelijke wereld. Het lichaam staat in contrast met God, die geheel geest is en daarom goed is. Daarom moet ook het geestelijke van de mens worden benadrukt. Verlossing of heil binnen de gnostiek is daarom verlost worden van het lichaam. Dit wordt bereikt door het verkrijgen van speciale kennis. Het Griekse woord voor kennis is ‘gnosis’, vandaar de naam ‘gnostiek’.
Binnen de gnostiek is er een nogal tegenstrijdige houding ten opzichte van het lichaam ontstaan. Omdat het lichaam als kwaad werd beschouwd, zeiden sommigen dat het lichaam hard moest worden behandeld. Vanuit deze gedachte werd soms zelfs het mishandelen van het eigen lichaam verheerlijkt. Gnostici waren soms dus harde ascetici. Een asceet is iemand die zijn lichaam onderdrukt door bijvoorbeeld weinig of heel sober te eten en alle luxe en genot te vermijden. Vandaar dat Paulus in Kolossenzen 2:21 schrijft over mensen die verkeerde geboden opleggen door te zeggen: ‘Raak dit niet aan, proef dat niet, blijf daarvan af!’ Paulus zegt dat deze geboden niet van God komen, maar uit een door mensen bedacht religieus systeem voortkomen. Deze valse leraren waren bezig hun eigen zogenaamde nederigheid te paraderen door extreem sober te leven. Maar onderwijl maakte het hen juist trots en hoogmoedig, omdat het immers een focus betekent op de eigen werken.
De tweedeling tussen het lichamelijke en het geestelijke leidde aan de andere kant juist tot losbandigheid. Het kwaad zit immers in het lichaam en niet zozeer in het breken van de geboden van God. Het lichamelijke is wat verkeerd is, niet het breken van de geboden. Daarom konden gnostici vanuit hun leer voorbijgaan aan de geboden van God. Het breken van de geboden van God heeft geen morele consequenties. Daarom ontstond er vanuit de gnostiek juist vaak ook veel immoraliteit, ook op lichamelijk gebied. Het lichaam moet veracht worden, het lichaam doet er niet toe en daarom maakt het ook niet uit wat je met je lichaam doet. Vandaar dat er veel zonde voortkwam uit deze dwaalleer. Deze zonde werd echter door gnostici niet als zonde gezien. Degenen die de ware kennis hebben gevonden, degene die geïllumineerd zijn, wiens geest met de ware kennis is verlicht, die zondigen helemaal niet. Daarom gaat Johannes in zijn eerste brief ook in op mensen die zeggen dat wij geen zonde hebben: ‘Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons’ (1 Johannes 1:8). Vandaag de dag zijn er ook groepen christenen die zeggen dat een christen helemaal niet kan zondigen. Het komt soms akelig dicht in de buurt van de gnostiek.
Mensen met een achtergrond vanuit de gnostiek hadden natuurlijk moeite met de ware menselijkheid van Jezus. De menselijkheid van Jezus, dat God de Zoon in een lichaam is gekomen, werd daarom op twee manieren ontkend. Sommigen zeiden dat Christus alleen maar schijnbaar een lichaam heeft gehad. Deze leer wordt het ‘docetisme’ genoemd, van het Griekse woord ‘dokeo’, dat ‘schijnen’ of ‘lijken’ betekent. Het leek misschien wel of Jezus een lichaam had, maar dat was niet echt zo. Anderen zeiden dat de goddelijke Jezus zich bij de mens Jezus voegde bij Zijn doop en Hem verliet voordat Hij stierf. Deze leer werd vooral door een zekere Cerinthus verkondigd, vandaar de naam Cerinthianisme.
Daarom begint de apostel Johannes zijn brief als volgt: ‘Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben, wat wij met eigen ogen gezien en aanschouwd hebben, wat onze handen hebben aangeraakt, dat verkondigen wij: het Woord dat leven is. Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is’ (1 Johannes 1:1-2). Met andere woorden, de Jezus die er vanaf het begin was, de Jezus die het Woord is, waardoor alles is ontstaan, de Jezus die het leven is, het eeuwige leven, dat bij de Vader was, de goddelijke, hemelse Jezus, is ook de Jezus die aan ons verschenen is, die wij hebben horen spreken met onze eigen oren, die wij hebben gezien met onze eigen ogen, die wij hebben aangeraakt met onze handen. De lichamelijke, menselijke Jezus is de Zoon van God, is God de Zoon. De incarnatie (vleeswording) van God de Zoon is een heel belangrijk leerstuk van het evangelie, want alleen als Degene die stierf aan het kruis aan God gelijk was, kon Hij werkelijk de zonden der wereld dragen. Dat is juist de kracht van het evangelie, dat God mens is geworden in Jezus Christus om daardoor verlossing te volbrengen. Daardoor hoeven wij het niet meer zelf te verdienen.
In de gnostiek wil men daar niet aan en ligt het bij de mens zelf om zich te verlossen. Als je tegenwoordig een boekhandel binnenloopt, is er vaak een hele afdeling gereserveerd voor boeken die met esoterie te maken hebben. Ook in de esoterie is het onderliggende concept dat van het verkrijgen van de juiste ‘gnosis’ of kennis. Deze reddende kennis is toegankelijk voor mensen wanneer ze eenmaal de juiste sleutel in handen hebben. Deze kennis bevat ook een ervaringselement, waardoor de geest wordt verlicht. Gnostiek leeft vandaag de dag dus voort in de Westerse esoterie. We zien dus ook weer hoe relevant de Bijbel is en blijft, zelfs met het oog op dwalingen van toen en nu.

ds. Oscar Lohuis