Zoeken in Het Zoeklicht

Het Zoeklicht van deze maand:

Brieven van een herder (2)

We geloven in de Heer Jezus, hoewel wij Hem nog niet zien. We hebben Hem zelfs lief! Dat is het mooiste van ons geloof en het ware heil voor onze ziel.

Petrus legt uit dat dit heil zó groot is dat God het stapsgewijs bekend gemaakt heeft. Allereerst hebben de profeten uit het Oude Testament daarover geprofeteerd. Dan komt Christus om te lijden en te sterven. Daarna komt de Heilige Geest uit de hemel om het ons te vertellen.

Ons heil (1 Petrus 1:9-12)
De oude profeten schrijven over de komende Messias en Zijn geweldige vrederijk! Jesaja schetst bijvoorbeeld een sprookjesachtig tafereel nadat ‘een rijsje zal zijn voortkomen uit de tronk van Isaï’, de wolf zal bij het schaap verkeren, de panter bij het bokje, de koe bij de berin, de zuigeling bij een adder en een giftige slang bij een kind (Jesaja 11:1-8). Dat is een prachtige boodschap! Wat verlangen zij ernaar om Hem te zien, maar dat voorrecht krijgen de discipelen pas honderden jaren later (Matteüs 13:17).
Toch moeten deze profeten ook schrijven dat de Messias eerst moet lijden. Diezelfde Jesaja schrijft ‘dat Hij als een lam naar de slachtbank wordt geleid’ (Jesaja 53:7). Daniël hoort van de engel Gabriël dat de Messias zal worden uitgeroeid ‘terwijl er niets tegen Hem is’ (Daniël 9:26). Die laatste woorden kunnen ook vertaald worden met: ‘Hij zal niets hebben’, of: ‘het zal niet voor Hemzelf zijn’. En Zacharia profeteert over de Messias, dat God tegen Hem zal zeggen: ‘Zwaard, waak op tegen Mijn herder, tegen de man die Mijn metgezel is, sla die herder’ (13:7). Ook de andere profeten vertellen dezelfde volgorde voor de komende Christus: eerst lijden, daarna heerlijkheid.

Tijdens het schrijven (en daarna) proberen zij erachter te komen wanneer en onder welke omstandigheden dit zou kunnen gebeuren! Maar hoe zij ook zoeken, zij vinden geen antwoord.
Totdat… God aan hen openbaart dat zij dit niet voor zichzelf opschrijven, maar voor mensen die ná hen zullen komen, voor mensen die genade zullen ontvangen, voor ons dus!
De Heilige Geest is uit de hemel gekomen om ons het evangelie uit te leggen. Die blijde boodschap is veel meer dan Gods genade voor arme zondaren. Het evangelie is bedoeld om onze ziel helemaal te vullen met de Heer Jezus. Dan juichen we naar het lied van Nellie van Kol: “Het is feest in mijn ziel, want de Heiland kwam in met al Zijn liefde en luister.”
De Heilige Geest gebruikt met name de boekrollen van de oude profeten om ons te vertellen over de Heer Jezus, zodat we onze weg met blijdschap vervolgen, evenals de kamerling (Handelingen 8:28-39). Die boekrollen zijn immers voor ons geschreven?

Een heilige wandel (1 Petrus 1:13-21)
Als mijn ziel vol is van de Heer Jezus, dan is het niet moeilijk om dat uit te werken in mijn praktische leven van elke dag. Dat begint bij het maken van de juiste keuzes. Daarvoor moeten we ‘de lendenen van ons verstand omgorden’. Als het lange kleed van de oosterling bij de lendenen wordt opgerold, heeft hij de voeten vrij om makkelijk te lopen. Wat zouden mijn keuzes vaak simpel zijn als de enige vraag zou zijn: “Heer, wat wilt U?” Alle andere vragen kunnen mijn gedachten alleen maar benevelen. Vroeger, toen ik nog niet bekeerd was, wist ik niet beter. Mijn eigen verlangens waren toen de enige norm. Maar nu is het anders, want ik ben een kind van God en kan op Hem lijken.
Paulus schrijft dat we God kunnen ‘navolgen in liefde’ (Efeziërs 5:1). Johannes zegt dat wij elkaar kunnen liefhebben (1 Johannes 4:11). Maar Petrus legt de lat wel erg hoog en citeert de woorden van God uit Leviticus 11: ‘Weest heilig, want Ik ben heilig’ (vers 44). Hoe is dat mogelijk?
Veel christenen proberen dat te doen door een lijstje aan te leggen van ‘verboden’ dingen, dus wat je niet moet doen, waar je niet moet komen, enz. Alsof heilig-zijn alleen maar zou wijzen op afzondering-van-het-kwaad. Is dat zo? Roepen de serafs ‘afgezonderd van het kwaad is de Heer’ (Jesaja 6:3)?
God wijst in Leviticus inderdaad op dingen die Hij in Zijn volk niet wil zien, omdat het Zijn volk is. Maar tegelijkertijd vraagt God om liefde te betonen aan de vreemdeling en de wees, aan de arme en gebrekkige, aan de familie en de volksgenoot. Heiligheid is niet alleen de afwezigheid van zonden, maar vooral het verlangen om dichtbij God te leven en Hem te dienen (Exodus 28:3).
Onze dienst beoordeelt God ‘zonder aanzien des persoons’. Het maakt Hem niet uit of iemand een prettig karakter heeft, of iemand maatschappelijk een hoge positie heeft, of iemand welbespraakt is, enz. En als dat voor God van geen enkel belang is in Zijn dienst, dan hoort dat voor ons ook zo te zijn.

Het grote heil van God
Wij zijn verlost ‘door kostbaar bloed’, namelijk dat van Christus! Na ‘omgordt de lendenen’ (vers 13) herinnert Petrus zijn lezers opnieuw aan het pascha in Egypte (Exodus 12). In elk huis van Israël is een lam. Drie dagen lang kunnen ouders en kinderen zien dat er niets aan mankeert. Toch moet juist dit lam sterven. Alleen als God het bloed ziet gaat Hij voorbij. Ruim drie jaar lang mogen de discipelen naar de Heer Jezus kijken en luisteren. Hij is volmaakt. Petrus belijdt Hem volmondig als de Christus, maar hij heeft grote moeite met Zijn dood. Toch legt de Heer hem uit dat dát nou juist ‘de dingen van God’ zijn (Matteüs 16:16-23).

Wat heeft Petrus later de dingen van God goed begrepen! Hij noemt er hier één: ‘Christus is voorgekend vóór de grondlegging van de wereld, als een vlekkeloos en onbevlekt lam’ (1:20). God dacht niet pas aan onze verlossing toen wij daarom vroegen, ook niet toen de Heer Jezus op aarde kwam, zelfs niet bij de zondeval. Nee, God kende Hem als het Lam dat zou moeten sterven nog voordat er ook maar iets of iemand geschapen was!
Als Christus komt, komt het Lam van God (Johannes 1:29,36). Hij sterft, maar God wekt Hem op en kroont Hem met eer en heerlijkheid (Hebreeën 2:9). Dit is het grote heil van God. Dit kon geen mens bedenken (1 Korintiërs 1:9). Dan verdwijnt elke twijfel over mijn verlossing, want:
‘Hij, in wie God Zelf kan rusten,
is het rustpunt ook voor mij.’

(Uit: Joh. de Heer nr. 809)

Wim Zwitser